Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikelen 68 en 76. Gelijk in § 7 van het algemeene deel reeds is uiteengezet, zal de aanvrage en de toekenning van pensioen in den vervolge geschieden bij resp. door den Pensioenraad, met beroep op den Centralen Raad te Utrecht. Aanvragen om verhooging van een toegekend pensioen zullen op gelijke wijze worden behandeld als aanvragen om toekenning van pensioen.

Het tweede lid van artikel 68 vindt zijn rechtvaardiging in den wensch om in gevallen waarin ontslag werd verleend op grond van bereikten leeftijd of van ongeschiktheid anders dan invaliditeit, pensioen te kunnen toekennen ook in gevallen waarin de ontslagene als martelaar wenscht te poseeren en daarom, in strijd met zijn eigen belang, het aanvragen van pensioen achterwege laat. Ook de militaire pensioenwetgeving kent ambtshalve toekenning. Het ligt voor de hand dat dan het pensioen zal worden toegekend binnen niet te langen tijd na het ontslag. Van daar de slotzin. Een dergelijke toekenning kan echter niet worden aangenomen in het geval van invaliditeit, waar immers een geneeskundig onderzoek, waarbij de medewerking van den belanghebbende verplicht is, aan de toekenning moet voorafgaan (artikel 46).

Artikelen 69—75. Dat geneeskundig onderzoek wordt in deze artikelen geregeld. Zij komen in hoofdzaak met het bestaande overeen en behoeven, naast hetgeen reeds in § 3 van het algemeene deel wordt gezegd, geen bijzondere toelichting. Ook de bepaling van het eerste lid van artikel 71, die van de tegenwoordige regeling afwijkt, is daar besproken. Alleen wordt nog gewezen op het derde lid van artikel 71, dat een thans bestaande leemte zoekt weg te nemen.

Artikelen 77—86. Zoowel voor de bijzondere leeraren als voor de bijzondere onderwijzers komen in de bestaande wetgeving enkele van het gewone afwijkende bepalingen voor, deels betrekking hebbende op de betaling van de bijdrage, deels op den pensioensgrondslag en het pensioen. Die afwijkingen vinden eenerzijds haar rechtvaardiging in het feit dat men hier te doen heeft met personen in dienst niet van de overheid maar van particulieren, zoodat eenige bijzondere waarborg kan noodig zijn ten einde behoorlijke premiebetaling te verkrijgen en anderzijds in de omstandigheid dat de wedde wordt vastgesteld, en niet steeds in geld wordt vastgesteld, door particuliere schoolbesturen, terwijl ten slotte eenige meerdere gronden van pensioens-toekenning moeten worden opgenomen, op grond dat de pensioenregeling alleen het oog heeft op de scholen die aan wettelijke eischen voldoen en dus ook het geval moet worden geregeld dat aan die eischen niet langer wordt voldaan. In de artikelen 77 v.v. zijn de geldende afwijkingen, voorzooveel bij het nieuwe stelsel noodig, overgenomen.

Die afwijkingen zijn intusschen zooveel mogelijk beperkt, ten einde de uniformiteit der pensioenwetgeving zooveel doenlijk te waarborgen. Zoo scheen in het algemeen het als regel geldende stelsel ook hier te kunnen worden aangehouden, dat de betrokkene van zijn schoolbestuur een aanstelling krijgt en dat dit bestuur aan den Pensioenraad de gegevens moet mededeelen, die noodig zijn voor de vaststelling van den pensioensgrondslag. Op grond van die gegevens zal de Pensioenraad dien grondslag vaststellen, tenzij hij termen vindt voor toepassing van artikel 83, dat uit het geldende recht is overgenomen. Echter is, op het voetspoor van het bestaande, op practische gronden een wettelijke grondslag bepaald voor personen, die niet slechts in geld en vrij wonen worden betaald, (artt. 78—82), terwijl eindelijk de artikelen 84 en 85 de speciale gevallen van pensioenstoekenning behelzen, die voor deze bijzondere groepen noodzakelijk zijn.

Artikelen 87—89 behandelen de gevallen, waarin recht op weduwen- en weezenpensioen bestaat. Ter toelichting worde verwezen naar hetgeen in § 8 van het algemeene deel is gezegd.

Hier worde alleen nog gesproken van het tweede lid dezer artikelen, dat met name ziet op het geval een gepensionneerde

Sluiten