Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of op wachtgeld gestelde, bij zijn overlijden tevens ambtenaar was in den zin van deze wet. Volgens dit tweede lid geldt, wat het recht op pensioen voor de nagelaten betrekkingen betreft, dan de gunstigste bepaling, dus het hoogste pensioen. Om een ander gevolg te noemen — in het algemeen zal de weduwe van een gepensionneerd ambtenaar, die b. v. op zijn BOste jaar maar na zijn pensionneering met haar is gehuwd, geen recht op pensioen hebben. Maar zou bij het overlijden die gepensionneerde nog of opnieuw „ambtenaar" zijn, dan heeft zijn vrouw dat recht wèl, ook al is zij na zijn pensionneering met hem gehuwd, wanneer het huwelijk slechts vóór het 65ste jaar heeft plaats gevonden. Hetzelfde geldt analoog ook ten aanzien van het weezenpensioen.

Artikelen 90—92. Men zie voor de toelichting van deze artikelen hetgeen is aangeteekend in § 8 van het algemeene deel.

Artikel 93. Dit artikel ziet zoowel op het geval, dat de ouders, die beiden „ambtenaar" zijn, tegelijkertijd sterven, als op het geval dat eerst de een is gestorven en daarna de ander overlijdt. Is diens grondslag dan hooger geweest dan van den reeds vroeger overledene, dan wordt het pensioenbedrag van de kinderen alsnog verhoogd.

Artikel 95. Niet is overgenomen het»tegenwoordige stelsel, dat, indien er weduwenpensioen aanwezig is, het weezenpensioen als verhooging daarvan geldt. Het pensioen wordt afzonderlijk toegekend aan de weduwe en aan de gezamenlijke kinderen uit één huwelijk, zij het dat dat bedrag niet, als thans, onbeperkt zal blijven gelden, tot het jongste kind een zekeren leeftijd heeft bereikt. In de praktijk zal het pensioen echtor toch als een gezinspensioen blijven gevoeld, daar in den regel de moeder de wettelijke vertegenwoordigster der kinderen zal zijn en dus ook het weezenpensioen aan haar zal worden uitgekeerd. Slechts waar het anders is, zal het bedrag van dit laatste aan een ander ten bate van de weezen worden gegeven.

Het derde lid eindelijk denkt aan het geval dat de moeder is ontheven van de voogdij van één of meer harer kinderen en van de anderen voogdes is gebleven, in het algemeen, dat de moeder de wettelijke vertegenwoordigster is van sommige harer kinderen, doch van anderen niet. In dat geval is de Pensioenraad bevoegd, naar bevind van zaken te handelen, m.a.w. het pensioen voor de gezamenlijke kinderen al of niet te splitsen, naarmate dat voor die kinderen van belang is.

Artikel 96.' Men zie artikel 3 juncto artikel 17, tweede lid, onder f van de Weduwenwet voor de ambtenaren 1890. De weduwen en de kinderen, die reeds recht hebben op een pensioen ten laste van den Staat of van zijn koloniën en bezittingen, kunnen evenals thans, ten laste van het pensioenfonds slechts recht krijgen op een aanvullingspensioen.

Artikel 97 komt in het wezen overeen met artikel 65.

Artikelen 98 en 99. Men zie de artikelen 68 en 76.

Artikel 100. Het ligt voor de hand, dat als regel het weduwen- en weezenpensioen zal ingaan zoodra degeen gestorven is, wiens of wier overlijden de voorwaarde voor het pensioen was, en dat het eigen pensioen begint te loope.n met den dag waarop recht op het pensioen werd verkregen, dus met den dag waarop het ontslag is ingegaan en de voorwaarden voor het pensioen ook overigens zijn vervuld. Intusschen is er geen reden om voor het eerst veel later aangevraagde pensioen denzelfde regel onbeperkt te doen gelden. Voor dat geval is bepaald, dat de toekenning dan niet zal geschieden met een dag vroeger dan dien waarop de pensioensaan vraag inkwam. Een pensioen kan dus nooit meer dan twee jaar terugwerken.

Sluiten