Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 101. Dat voor het hier bedoelde, als gunst weder toegekende, pensioen de regel wordt gesteld dat de ingang niet vroeger kan zijn dan de aanvrage, volgt uit den aard der zaak.

Artikel 102. Het gaat hier over twee gevallen: dat een toegekend pensioen wordt verhoogd; en dat een aanvankelijk geweigerd pensioen alsnog wordt toegekend, m. a. w. over gevallen, dat in het voordeel van den betrokkene wordt teruggekomen van een definitieve beslissing. Het is dan billijk, dat hij voor de toekomst dat voordeel krijgt, maar niet voor het verleden, toen de wetstoepassing werd gevolgd, die tot de weigering resp. tot toekenning van het lagere pensioen leidde. (Zie ook de toelichting tot artt. 121—123).

Artikel 103. In verband met de maandelijksche betaling van het pensioen is er geen reden meer om nog drie maanden na het overlijden pensioen uit te betalen. Ook hij die op den laatsten van de maand sterft, zal echter voor zijn erfgenamen nog recht hebben op een maand pensioen. Natuurlijk ,kan bij de regeling van de rechtspositie van de ambtenaren nog een verdergaande regeling van . na overlijden toe te kennen voordeelen worden getroffen. Dat behoort echter niet meer tot het gebied van het pensioen.

Artikel 104. Men zie voor dit artikel bladz. 45 van het algemeene deel dezer toelichting.

Bij ontbinding van het huwelijk door een opvolgend huwelijk met rechterlijk verlof (gedacht is aan het geval van vermoedelijk overlijden, artikel 254 in verband met artikel 549 van het Burgerlijk Wetboek) is er uitteraard geen reden voor herleving van het opgehouden weduwenpensioen. Door dat opvolgende huwelijk toch krijgt de vrouw aanstonds een natuurlijken verzorger.

Artikelen 105 en 106 regelen de»uitbetaling der pensioenen, waaromtrent op bladz. 41 van het algemeene deel dezer toelichting reeds een en ander is gezegd. De bedoeling is, dat de algemeene maatregel van bestuur, die de uitbetaling zal regelen, vrijheid zal hebben om in alle of in sommige gevallen die betaling te doen geschieden, b.v. door de gemeentebesturen. Het is echter dan billijk, dien besturen een vergoeding toe te kennen voor hun bemoeiing, die, althans voor zooveel het anderen betreft dan hun eigen gewezen ambtenaren, buiten hun eigenlijk terrein is gelegen. Het tweede lid van artikel 106 houdt die mogelijkheid open.

Artikel 107. Dit artikel komt nagenoeg geheel met de thans geldende regeling overeen. Alleen is vervallen, in verband met de vooruitbetaling van het pensioen, de thans bestaande beperkte mogelijkheid om een voorschot op het pensioen te geven. Men zie blz. 41 van het algemeene deel dezer toelichting.

Artikelen .108 en 109. Deze artikelen bedoelen een nieuwe regeling te geven voor inhouding en beslag op pensioenen en dus te vervangen de verwijzing naar de verouderde wet van 24 Januari 1815, Staatsblad 5, welke thans in de pensioenwetgeving voorkomt (b.v. artikel 42 der Burgerlijke Pensioenwet en artikel 35 der Pensioenwet voor de gemeenteambtenaren 1913). In. de nieuwe bepaling is getracht het belang van de gepensionneerden, die debiteur zijn, in eene billijke verhouding met dat hunner schuldeischers te waarborgen.

Artikelen 111—114. Deze bepalingen komen in het wezen overeen met hetgeen thans in de pensioenwetgeving is opgenomen. Nu echter de pensioenen komen ten laste van een fonds, waartoe de Staat het grootste deel heeft bijgedragen, is er geen reden om de pensioen termijnen, die tijdens de gevangenschap niet ten behoeve van den betrokkene zouden worden uitgekeerd, aan het fonds te doen ten goede komen. Het ligt meer voor de hand, die gelden te storten in de kas van den Staat, die ook de kosten van het verblijf in de strafinrichting draagt. Voorts is het derde lid van artikel 114 uitgebreid tot

Sluiten