Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alle gevallen in het eerste lid van dat artikel onder b genoemd. Er schijnt geen voldoende reden om nimmer herstel mogelijk te maken van een pensioen dat op grond van naturalisatie of krijgsdienst in den vreemde verloren is gegaan.

Artikelen 116—120. Over het beroep is reeds in § 7 van het algemeene deel dezer toelichting gesproken. Thans kan met slechts een enkele opmerking over deze artikelen worden volstaan.

Artikel 116. De bevoegdheid van den Centralen Raad is algemeen omschreven. De practijk, door den Centralen Raad zeiven te vormen, zal aan de algemeene formule een bepaalden inhoud geven.

Het beroepsrecht van den Minister, met de uitvoering van de wet belast, is bij artikel 16 reeds vermeld. Men zie ook artikel 118, derde lid.

Artikel 119. Waar de pensioensgerechtigden niet zelden hun pensioen aanstonds noodig hebben, schijnt het billijk, een in eersten aanleg toegekend pensioen aanstonds uit te betalen, niettegenstaande beroep, ingesteld hetzij door den Minister,, b.v. op grond dat z.i. geen recht op pensioen bestaat, hetzij door den belanghebbende zeiven die mocht meenen dat hem een gunstiger pensioen toekomt. Reeds met het oog op de practische moeilijkheden, aan terugbetaling van reeds geïnd pensioen verbonden, is voorts bepaald dat het in eersten aanleg toegekende en inmiddels genotene, doch in beroep ontzegde, niet behoeft te worden teruggegeven.

Artikelen 121—123. Een niet gemakkelijk te beantwoorden vraag vormt die, in hoeverre beslissingen van de pensioensorganen al of niet onveranderlijk behooren te zijn. In de tegenwoordige wetgeving komen enkele bepalingen dienaangaande voor (artikel 33, vijfde lid van de Burgerlijke Pensioenwet) maar zij regelen slechts een deel van het onderwerp, hebben n.1. slechts betrekking op de vraag, hoe bij verandering in de opvatting omtrent de beteekenis van bepaalde wetsartikelen de gevolgen zullen zijn voor hen, op wie die artikelen vroeger werden toegepast. Het onderwerp echter is veel ruimer, beslaat immers alle gevallen waarin hetzij door dwaling in de feiten hetzij door onjuiste toepassing van het recht op de feiten, hetzij door veranderde opvatting omtrent het geldende recht, reeds • genomen beslissingen niet meer juist kunnen worden geacht of ten onrechte een recht is onthouden, dat niet eens is gevraagd omdat men te voren wist, toch nul op het request te zullen krijgen. Daarbuiten valt — het worde volledigheidshalve opgemerkt — het geval van verandering van wetgeving en de vraag, in hoever die verandering gevolgen moet hebben voor reeds besliste gevallen. Daar geldt het de terugwerkende kracht, die alleen zal kunnen worden aangenomen, als de wet die de wijziging aanbracht, zulks uitdrukkelijk zegt.

Wat de mogelijkheid van herziening van reeds genomen beslissingen aangaat, onderscheidt het ontwerp het geval van een herziening in het nadeel, en in het voordeel, van den belanghebbende. Herziening in het nadeel zal alleen kunnen geschieden op grond van gebleken onjuistheid van aan de beslissing ten grondslag gelegde feiten. Wanneer men b. v. bij vergissing 20 in plaats van 10 jaar als diensttijd heeft aangenomen, — onverschillig of dat 'de schuld was van den belanghebbende of niet — kan herziening volgen, wanneer de fout wordt bemerkt. D. w. z. alleen wanneer er een feitelijke onjuistheid plaats had, niet wanneer de onjuistheid het gevolg was van een interpretatie van de wettelijke bepalingen omtrent mederekenen van dienstjaren, die men als onjuist is gaan beschouwen. Dan is het niet een onjuistheid inzake de feiten, maar een onjuistheid inzake het recht, zooals dat op bepaalde feiten is toegepast. Maar een zuiver feitelijke onjuistheid kan steeds, ook in hét nadeel van den betrokkene, worden verbeterd. De herziening werkt dan uitteraard terug tot het oogenblik vanwaar de onjuistheid begon. Zou b.v. met 1 Januari 1925 abusie-

31

Sluiten