Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

velijk als wedde (grondslag) zijn aangenomen f 2000 in plaats van f 1000, dan kan dat worden hersteld van dien datum af. In verband daarmede te veel betaalde bijdrage wordt dan uitteraard verrekend. Maar in één opzicht zijn de consequenties van het voorgaande verzacht. N.1. door de bepaling van artikel 123 dat — behoudens in het geval van opzettelijke misleiding door den betrokkene zeiven — teruggave van reeds genoten pensioen na herziening van de beslissing uitsluit.

De regeling dat herziening in het nadeel van den betrokkene mogelijk is wegens onjuiste feiten als grondslag voor de genomen beslissing, welke regeling voor den Pensioenraad geldt, is in het wezen ook aangenomen voor den Centralen Baad. Intusschen is de eisch daar nog eenigszins verscherpt door herziening op grond van onjuiste feiten alleen mogelijk te maken, wanneer die feiten zijn aangenomen op grond van vervalschte stukken. Nu die regeling eenmaal in de Beroepswet bestaat, schijnt er geen voldoende reden om haar voor de pensioenzaken uit' te breiden.

In de tweede plaats herziening in het voordeel van den belanghebbende. Deze is over de geheele lijn toegelaten, op aanvraag van den betrokkene zeiven. Hij zal dus kunnen vragen dat zijn grondslag hooger wordt gesteld; dat zijn pensioen hooger wordt vastgesteld of vroeger zal ingaan; etc. De gevolgen van zulk eene beslissing zijn van zelf duidelijk, aan de hand van de zooeven aangehaalde artikelen van het ontwerp. Echter worde er op gewezen dat een rem is gesteld voor een onbeperkte terugwerking van gunstige beslissingen omtrent het pensioen en wel door de bepaling van artikel 102, dat eten aanvankelijk geweigerd pensioen of een toegekende verhooging van pensioen niet ingaat vóór de aanvraag is ingekomen, die tot de herziening van het pensioen leidde. Dat omvat o.a. het geval dat iemand behoort tot een groep, die niet als pensioensgerechtigd werd beschouwd, maar omtrent welke, als gevolg van eon veranderde opvatting van de wet, later anders wordt beslist. Het schijnt niet noodig, dan het pensioen toe te kennen met ingang van den dag waarop naar de nieuwe opvatting het recht eigenlijk is ontstaan. Het is de bedoeling van de pensionneeringsbepalingen niet, iemand op een zeker oogenblik met een misschien dan groot kapitaal te begiftigen. Daarom is in artikel 102 bepaald, dat een pensioen dat in het voordeel van den betrokkene wordt herzien, in beginsel niet kan terugwerken.

Artikel 124. Dit artikel strekt ter vervanging van de bij artikel 153 ingetrokken wetten van 29 April 1901 (Staatsblad n°. 91), 28 Mei 1901 (Staatsblad n°. 127) en 17 Juni 1918 (Staatsblad n°. 403). Beter dan die wetten in sterk gewijzigden vorm te handhaven — alle bepalingen zouden gewijzigd moeten worden en van laatstgenoemde wet zou .slechts één artikel van kracht blijven — is het in deze wet zelf de functionarissen te noemen,- die reeds van het tijdstip waarop zij in werking treedt af, met ambtenaren in den door haar bedoelden zin gelijk zullen staan. Ook met artikel 97 a der Radenwet is rekening gehouden.

Artikelen 126—130. Deze artikelen regelen den inkoop voor pensioen van diensttijd, voorafgaande aan het tijdstip van het in werking treding van deze wet:

art. 12Q, eerste lid. Eene uitzondering wordt gemaakt voor diensttijd die op grond van eene vroegere wet „nog wordt ingekocht". Volgens art. 154 I, lit. c II, III, lit. c IV, lit. c en d en V, lit. c, wordt de inkoop van onbezoldigde, tijdelijke of gemeentelijke diensten die op boven bedoeld tijdstip reeds gedeeltelijk heeft plaats gehad, na dat tijdstip op den ouden voet voortgezet;

art. 126, vijfde lida. Met betrekking tot de na 1 Juli 1912 in zijdelingschen Staatsdienst bewezen diensten behoeven geen bewijsstukken te worden overgelegd. Ten opzichte van die diensten zijn en worden aan het Departement van Financien de opgaven verstrekt, bedoeld in art. 3 der Pensioenwet voor zijdelingschen Staatsdienst. Over die gegevens zal dus de Pensioenraad kunnen beschikken.

Sluiten