Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 128. Ook voor het betalen van de bijdragen voor inkoop van den tijd, door op het tijdstip van het in werking

treden van deze wet in dienstzijnde provinciale ambtenaren

met uitzondering van die ter provinciale grifflën, die reeds als burgerlijke ambtenaren in den zin der Burgerlijke Pensioenwet, perisioensgerechtigd zijn — en ambtenaren van waterschappen, veenschappen of veenpolders, vóór dat tijdstip als ambtenaar in dienst van zoodanige lichamen doorgebracht, is een termijn van tien jaren voldoende lang, omdat het ambtenarenpersoneel van elk dier lichamen niet talrijk is en de voor dien inkoop verschuldigde bedragen derhalve niet hoog zullen zijn.

Artikel 132. Het ligt voor de hand, dat de tijd gedurende welken een ambtenaar, door zich aan de werking van de pensioenwet te hebben onttrokken, niet pensioengerechtigd is geweest, om bij de regeling van zijn pensioen als diensttijd in aanmerking te kunnen komen, moet worden ingekocht.

Dit artikel spreekt niet van den diensttijd van onderwijzers die de in § 2 van art. IV der wet van 5 Juni 1905 (Staatsblad n°. 152; bedoelde verklaring hebben afgelegd, omdat die tijd, krachtens art. 64, eerste lid der wet tot regeling van het lager onderwijs, niet voor pensioen geldig is en dus reeds op grond van art. 126, eerste lid, voor pensioen moet worden ingekocht.

Artikel 133. Dit artikel is eene noodzakelijke uitbreiding van art. 47, eerste lid. Zonder die uitbreiding zou, terwijl thans tijd van afwezigheid wegens ziekte slechts wanneer hij ten hoogste een jaar duurt voor pensioen medetelt en onder vigeur van deze wet, voorzooveel zoodamgen tijd na het tijdstip van haar in werking treden betreft, krachtens art. 47 ten hoogste drie verlofsjaren bij de regeling van een pensioen als diensttijd in aanmerking kunnen komen, aan de geldigheid voor pensioen van tijd, vóór dat tijdstip met ziekteverlof doorgebracht, geen enkele beperking ten aanzien van den duur der afwezigheid verbonden zijn.

Artikel 136. Het is duidelijk, dat de bestaande doorloopende pensioensbijdragen, die voor elk onderdeel van een jaar tot een evenredig deel verschuldigd zijn,'slechts tot den dag van het in werking treden van deze wet behoeven te worden betaald. '.

In verschillenden zin zou echter kunnen worden beantwoord de vraag of van eene afloopende bijdrage — eene, waarvan het bedrag reeds terstond bij het in dienst treden van den ambtenaar wordt gefixeerd — het op het tijdstip van het in werking treden van deze wet nog niet betaalde deel, niet nog in zijn geheel verschuldigd is. Dit artikel geeft op die vraag een ontkennend antwoord.

Artikel 137. Het is billijk den vóór het tijdstip van het in werking treden van deze wet ontslagen ambtenaar, die na dat tijdstip op eene lagere wedde wordt herplaatst, in de gelegenheid te stellen, zich voor zijne na te laten betrekkingen het behoud te ve-zekeren van het 'uitzicht op het pensioen, waarvoor hij tot zijne herplaatsing over zijn vroegeren pensioensgrondslag heeft bijgedragen.

Artikel 139. Gemotiveerd is het door of voor ambtenaren door of voor wie, omdat zij van uitzicht op pensioen voor hunne na te laten betrekkingen afzagen, nooit iets voor weduwen- en weezenpensioen werd bijgedragen en die volgens de bestaande wetten dat uitzicht nooit meer zouden hebben kunnen verkrijgen, nu deze wet het hun premievrij geeft, alsnog bij wijze van inkoop over het verleden te doen contribueeren.

Artikel 143. Evenals de gemeentebesturen op grond van art. 151 der gemeentewet,, zijn ook de provinciale besturen op grond van art. 141 der provinciale wetende besturen van waterschappen, veenschappen en veenpolders ingevolge art. 3 der wet van 20 Juli 1895 (Staatsblad n°. 139) onbevoegd na

32

Sluiten