Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het tijdstip van het in werking treden van deze wet nog pensioenregelingen voor hunne ambtenaren te treffen. Bestaande pensioenverordeningen vervallen op dat tijdstip. Intusschen belmoren bepalingen van zulke verordeningen die hooger aanspraken geven dan deze wet, billijkheidshalve van kracht te blijven voor hen, ten opzichte van wie zij op het tijdstip van het in werking treden van deze wet van toepassing zijn.

Artikel 152. Toepassing na het tijdstip van het in werking treden van deze wet van de vroegere procedure voor de vaststelling van pensioengrondslagen, van die voor de regeling van pensioenen enz., zou groote practische moeilijkheden 'opleveren.

Artikel 154. Dit artikel kwam reeds in het algemeene deel der toelichting ter sprake.

Onder II, lit. a, wordt gesproken van gedeeltelijk „op den voet" van art. 4 der wet van 28 Juli 1898 (Staatsblad n°. 152), gewijzigd bij de wet van 6 Juni 1900 (Staatsblad n°. 103) voor pensioen ingekochte diensten. Hieronder vallen dus ook o.a. diensten, bedoeld in art. 3 der wet van 28 Mei 1901 (Staatsblad n°. 127), die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet gedeeltelijk zijn ingekocht.

Zoo vallen onder de sub III, lit c, genoemde diensten, — die nl., op dat tijdstip gedeeltelijk ingekocht „op den voet" van de artt. 63, 64 en 65 der Pensioenwet van de gemeenteambtenaren, — die, waarvan gedeeltelijk inkoop heeft plaats gehad krachtens het derde lid van art. 68 en het tweede lid van art. 69 dier wet, zoomede gedeeltelijk ingekochte diensten, bedoeld in art, 8, eerste lid, der wet van 17 Juli 1918 (Staatsblad n°. 403).

Artikel 156. Volgens deze bepaling blijft o. a. voor de toepassing van de eerste en tweede zinsnede van art. 5 der wet van 23 Mei 1917 (Staatsblad n° 426) ongewijzigd van kracht art. 17, eerste en vierde lid der Weduwenwet voor de ambtenaren 1890.

De Minister van Financiën,

Sluiten