Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WISKUNDIG VERSLAG.

INLEIDING.

Ten einde een behoorlijk overzicht te verkrijgen van de financieële gevolgen der voorstellen voor den Staat, welke in het wetsontwerp der Staatscommissie zijn vervat, werd door ondergeteekenden besloten, voor de eigen en voor de weduwenen weezenpensioenen elk afzonderlijk, twee balansen op te maken, en wel een voor de lasten en baten volgens den bestaanden toestand, en een voor de lasten en baten, zooals die zouden voortvloeien uit de door de Staatscommissie ontworpen wijzigingen. Als datum werd gekozen de laatste, op welke de gegevens bij het Weduwen- en Weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren volledig aanwezig waren, d. i. 31 December 1916. Voor de keuze der grondslagen lag het voor de hand zooveel mogelijk gebruik te maken van de gegevens, welke bij de laatste berekeningen betreffende de eigen en de weduwe- en weezenpensioenen waren bewerkt en welke in hoofdzaak zijn opgenomen in de 5de Wetenschappelijke Balans van het Weduwen- en Weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren. De berekening is gesplitst in 2 deelen, namelijk een voor de eigen pensioenen en een voor de weduwe- en weezenpensioenen. De gegevens voor de eerste berekening en de daaruit afgeleide factoren zijn opgenomen in de staten 1—21, die voor de tweede in de staten 22—30, terwijl de staten 31—34 een overzicht geven van de uitkomsten.

De categorieën, welke in deze berekening zijn opgenomen, zijn die, welke tot dusverre pensioen genieten of uitzicht hebben op pensioen ten laste van den Staat of van het weduwen- en weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren, dat zijn dus zij, op wie de burgerlijke pensioenwet, de weduwenwetten voor de ambtenaren en de onderwijzers, de wet op het lager onderwijs, de wetten van 20 Juni 1913 (Staatsblad n°. 298 en 299) en de wet van 20 Februari 1914 (Staatsblad n°. 44) van toepassing zijn. Van de berekening zijn derhalve uitgesloten de gemeenteambtenaren thans deelgerechtigd in het pensioenfonds voor de gemeente-ambtenaren (wet van 21 Juni 1913 Staatsblad n°. 301), de provinciale ambtenaren en de ambtenaren bij de waterschappen, veenschappen en veenpolders. De in art. 150 bedoelde Wetenschappelijke balans geeft gelegenheid de lasten, die deze categorieën op den Staat leggen, voldoende te leeren kennen.

HOOFDSTUK I. Berekeningen betreffende de eigen pensioenen.

§ 1. Grondslagen.

(Zie staten 1, 2 en 12).

In de inleiding is reeds met een enkel woord vermeld dat het voor de hand lag gebruik te maken van de gegevens, voorkomende in de 5de Wetenschappelijke Balans van het

Weduwen- en Weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren. Hoewel deze balans uitsluitend betrekking heeft op berekeningen betreflende de weduwe- en weezenpensioenen,' bevat zij ook gegevens welke bij onderzoekingen betreffende de eigen pensioenen toegepast kunnen worden. Dit is een gevolg van de in deze balans voor het eerst gevolgde methode, waarbij de lasten en baten van in dienst zijnde en gepensionneerde ambtenaren elk afzonderlijk zijn berekend. De in deze balans voorkomende sterfte-, pensionneerings- en ontslagtafel voor mannelijke in dienst zijnde burgerlijke ambtenaren en onderwijzers (staat 1 van dit verslag) en de sterftetafel voor mannelijke gepensionneerde burgerlijke ambtenaren en onderwijzers *) (staat 2) vormen dan ook de voornaamste grondslagen van de berekeningen betreffende de eigen pensioenen. Voor nadere bijzonderheden omtrent deze beide tafels naar voornoemde balans verwijzende, moge echter op enkele punten nader de aandacht worden gevestigd.

In de eerste plaats zij er op gewezen dat deze tafels zijn afgeleid uit de gezamenlijke waarnemingen van allen, die in het weduwen- en weezenfonds deelgerechtigd zijn, dus ambtenaren en onderwijzers te zamen, omdat voor deze beide categorieën, hoewel onder verschillende wetten vallende, de bepalingen betreffende weduwe- en weezenpensioen dezelfde zijn. Het gevolg van de toepassing dezer tafel was- dus dat ook voor de berekeningen betreffende de eigen pensioenen deze beide groepen als één geheel zijn beschouwd, geheel in overeenstemming met het denkbeeld, dat aan het wetsontwerp der commissie ten grondslag ligt. Slechts bij ééne berekening — nl. bij die van de baten volgens den bestaanden toestand — moest daarvan worden afgeweken, zooals in § 4 nader zal worden uiteengezet. Om deze reden zijn ook enkele gegevens, op de ambtenaren en onderwijzers afzonderlijk betrekking hebbende, in staat 1 opgenomen.

Een tweede punt staat in verband met de bepaling van de thans bestaande burgerlijke pensioenwet, dat enkele categorieën van ambtenaren reeds op 55-jarigen leeftijd recht op ouderdomspensioen hebben, (art. 4cZ) welke bepaling in het ontwerp der Staatscotnmissie is overgenomen (art. 43,lö\ Het zou daarom aanbeveling hebben verdiend voor deze beide categorieën de berekening afzonderlijk te maken, waarvoor echter 2 sterftepensionneerings- en ontslagtafels, noodig zouden zijn. Daar het aantal groepen van ambtenaren, voor wie het recht od

ouderdoms-pensioen reeds op 55-jarigen leeftijd ingaat, in den loop der pensioenwetgeving herhaaldelijk is gewijzigd, was het samenstellen dezer tafels aan groote bezwaren onderhevig, zoodat hiervan moest worden afgezien.

Een laatste opmerking heeft betrekking op de sterftetafel

voor de gepensionneerden. Zooals algemeen bekend is, hangt de sterftekans der gepensionneerden behalve van den leeftijd, ook af van den tijd. die na den datum van pensionneering is verloopen, d. i. van den pensionneeringsduur. De invloed

*) Onder de gepensionneerden zijn tevens de op wachtgeld gestelden begrepen.

33

Sluiten