Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Staat 22. "Weduwentafel, hertrouwingskans en praenumerando lijfrente, afgeleid uit de waarnemingen betreffende de pensioentrekkende weduwen van rijksburgerlijke ambtenaren en onderwijzers over het tijdvak 1 Januari 1891—31 December 1914.

„ 23. Op 31 December 1916 loopende pensioenen van weduwen van rijksburgerlijke ambtenaren en onderwijzers.

, 24. Op 31 December 1916 loopende pensioenen van weezen van rijksburgerlijke ambtenaren en onderwijzers.

„ 25. Verhoudingsgetallen F*3000) en F*2*00) afgeleid uit de verhoogingen van pensioensgrondslag tot f 3 000 en f2400, toegekend aan mannelijke rijksburgerlijke ambtenaren en onderwijzers in het tijdvak 1 Januari 1910—31 December 1914.

„ 26. Pensioen waarden TF en pensioenfactoren ƒ voor de pensioenen van weduwen en weezen van rijksburgerlijke ambtenaren en onderwijzers.

„ 27. Pensioensgrondslagen tot f 3000 en tot f 2400 van mannelijke rijksburgerlijke ambtenaren en onderwijzers op 31 December 1916 met uitzondering van de gemeentelijke leeraren, aangesteld vóór. 1 Januari 1906, de bijzondere leeraren, aangesteld vóór 1 October 1913, de ordebroeders, en de ambtenaren deelgerechtigd in andere fondsen.

Staat 28. Bijdragefactoren voor pensioenen van weduwen en weezen van rijksburgerlijke ambtenaren en onderwijzers voor de thans geldende pensioenbepalingen.

„ 29. Mannelijke rijksburgerlijke ambtenaren, aangesteld vóór 1 Juli 1868 en tusschen 1 Juli 1868 en 1 Januari 1891 en onderwijzers, die krachtens art. 23 der weduwenwet voor de onderwijzers niet deelgerechtigd zijn.

„ 30. Gemiddeld aantal aanstellingen per jaar van mannelijke rijksburgerlijke ambtenaren en onderwijzers afgeleid uit de waarnemingen in het tijdvak 1 Januari 1911— 31 December 1915.

„ 31. Contante waarde, op 31 December 1916, van lasten en baten voor eigen pensioenen van rijksburgerlijke ambtenaren en onderwijzers, voor de pensioenbepalingen, vervat in de voorstellen der Staatscommissie.

„ 32. Idem voor de thans geldende pensioenbepalingen.

„ 33. Contante waarde, op 31 December 1916, van lasten en baten voor weduwe- en weezenpensioen voor mannelijke rijksburgelijke ambtenaren en onderwijzers, voor de pensioenbepalingen, vervat in de voorstellen der Staatscommissie.

„ 34. Idem voor de thans geldende pensioenbepalingen.

Sluiten