Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STAATSCOMMISSIE ter voorbereiding van een algemeene herziening der niet-militaire pensioenwetgeving.

's-Gravenhage

November 1919.

Aan

Hare Majesteit de Koningin.

De ondergeteekenden veroorloven zich, gebruik makende van de bevoegdheid, den leden der Commissie verleend, Uwe Majesteit hierbij eerbiedig hun zienswijze, te doen kennen over de overgangsregeling naar het nieuwe pensioenrecht. Zij kunnen zich met de voorgestelde regeling niet vereenigen, maar hun denkbeelden mochten de instemming van de meerderheid der Staatscommissie niet verwerven.

De Staatscommissie 'had tot taak in het geheel der lang niet altijd heldere pensioenbepalingen systeem en stelsel te brengen. Dat sloot tevens in, dat zij de overgangsbepalingen, die den ouden toestand in den nieuwen zouden overleiden, zou eenvoudig mogelijk diende te houden.

Een deel der ontworpen transitoire voorschriften bezit echter niet de klaarheid, die men in redelijkheid vorderen mag. Onder meer zijn deze bepalingen bestemd om enkele aanspraken te handhaven, die de belanghebbenden ten tijde van de invoering van de nieuwe wetgeving krachtens het bestaande rechi bezitten, namelijk de aanspraak der onderwijzers op pensioenberekening over den grondslag van het laatste jaar, de aanspraak op zoogen. uitgesteld pensioen, de aanspraak van gewezen ambtenaren, die zich ten behoeve van hunne nagelaten betrekkingen uitzicht op pensioen verzekerden door aan het weduwen- en weezenfonds te blijven contribueeren, en ten slotte het recht, ontleend aan de bevestiging van pensioengrondslagen d. i. aan de vaststelling van grondslagen die, in zoover zij de werkelijk genoten wedde te boven gaan, fictief zijn. Het ligt voor de hand in de overgangsbepalingen de gedachte uit te spreken, dat dergelijke aanspraken, gelijk zij ten tijde van de invoering van de nieuwe wetgeving bestaan, ook voor de toekomst erkend zullen worden, en verder het lot dier aanspraken .in de overgangsbepalingen zelfstandig en volledig te regelen. In één oogopslag kan men dan de positie overzien, die aan de bezitters van dergelijke aanspraken toekomt. De ontworpen overgangsbepalingen passen echter eene geheel andere methode toe. Zij handhaven voor de toekomst ten behoeve van de ver. schillende groepen van belanghebbenden de oude wetsvoorschriften, die op deze aanspraken betrekking hebben, en, omdat die voorschriften niet aansluiten aan het nieuwe recht, wijzigen zij deze nog :ovendien. In beperkten omvang blijft dus het oude recht, dat juist voor de toekomst moest worden afgeschaft, nog altijd gelden. Wie weten wil, hoe zijne pensioensaanspraak zich in de toekomst ontwikkelt, zal dus nog vaak naar de (gewijzigde) oude wetten moeten grijpen. Of de belanghebbende daaruit veel leering zal trekken, staat evenwel te bezien. Men behoeft de artt. 154 en vlg. van het ontwerp, waarin het oude recht gehandhaafd en herzien wordt, slechts

45

Sluiten