Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op te slaan om zich te overtuigen, dat niet dan zeer enkelen bij machte zijn den zin dier bepalingen te doorgronden.

De in deze artikelen vervatte oplossing lijkt, althans zeker voor zoover de fictieve grondslagen betreft, ook niet heel gelukkig. Met deze grondslagen zal ook in de toekomst worden gerekend. Maar hoe? Op tweeërlei wijs zal het „eigen" pensioen worden becijferd: t>ver de werkelijke grondslagen volgens de w\jze van berekening van het ontwerp (y60 per jaar, 30 °/0 minimaal en 70 °/0 maximaal), en over de werkelijke en de fictieve grondslagen volgens de wijze van berekening van het bestaande recht (Y60 per jaar met een maximum van 2/3). De hoogste van de twee uitkomsten wordt als pensioen toegekend (artt. 134 en 154, Ib ontwerp). Een soortgelijke regeling is ook voor de weduwen- en weezenpensioenen getroffen (artt. 138, 154, Vla ontwerp).

De ambtenaren met fictieve grondslagen deelen dus niet in de voordeelen, die de nieuwe wijze *van berekening geeft. Dat is niet billijk. Gaarne zij toegegeven, dat de invoering van de fictieve grondslagen eene vergissing was. Het gaat evenwel niet aan hen, die (tevens) zulke grondslagen bezitten, anders te behandelen, dan hen, die uitsluitend reëele grondslagen hebben. Het oude recht stelt reëele en fictieve grondslagen ten aanzien der pensioenberekening volkomen gelijk. Daarop kan men bezwaarlijk terugkomen. De artt. 134 en 154 li». — hetzelfde geldt eveneens t. a. v. de artt. 138 en 154 Vla. voor de weduwen- en weezenpensioenen — doen inderdaad echter niets anders. Zij onthouden aan de ambtenaren met fictieve grondslagen het voordeel, dat het bezit dier grondslagen hun schenken zoü, als de overgangsbepalingen niet met de vroeger erkende gelijkwaardigheid van fictieve en reëele grondslagen ter bepaling van het bedrag van het pensioen braken. Van de gelegenheid, dat thans de wijze van pensioenberekening ten gunste van de ambtenaren gewijzigd wordt, maakt men gebruik om de vergissing te herstellen, die men voor jaren met de invoering van de fictieve grondslagen beging.

Van willekeur zijn de voorschriften van de artt. 134 en 154 I b en Vla ook niet vrij te pleiten. Houdt men zich toch strikt aan den tekst van art. 134, dan worden de pensioenen uitsluitend over de reëele grondslagen berekend — en dan altijd op den grondslag van 1/50 per jaar — behalve alleen in de gevallen, in art. 15416 bedoeld. Aangenomen dat het ontwerp inderdaad in dezen zin moet worden verstaan, rijst de vraag waarom in de gevallen, die niet onder art. 154 I& vallen, aan de belanghebbenden het voordeel van een dubbele berekening onthouden wordt. De berekening van het pensioen op de basis van 1/50 per jaar weegt toch niet altijd op tegen het nadeel dat de betrokkene lijdt, doordat de fictieve grondslag verwaarloosd wordt.

Ten slotte vertoont o. a. art. 154 Ib, eene groote leemte. Het voorziet toch niet in het geval, dat de ambtenaar, die ten tijde van de invoering der nieuwe wetgeving één of meer ambten met fictieve grondslagen bekleedt, deze betrekking(en) opgeeft en naderhand achtereenvolgens uit twee of meer nieuw verworven betrekkingen wordt gepensionneerd. Bij welke pensionneering dan de bij art. 154 Ib. voorgeschreven dubbele berekening moet plaats hebben, by de eerste of bij eene volgende pensionneering, hangt geheel in de lucht. Dat deze nadeelen niet zoo ernstig zijn of dat zij door andere voordeelen opgeheven worden, gelijk in de Staatscommissie is betoogd, kan niet worden toegegeven.

Be leden der Commissie, (w.g.) J. Eh. Süyling, Ttjeksma.

J. N. Elenbaas.

Sluiten