Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

STAATSCOMMISSIE ter voorbereiding van een algemeene herziening der niet-militaire pensioenwetgeving.

's Gravenhage, November 1919.

Aan

Hare Majesteit de Koningin.

Gebruik makende van de bevoegdheid hun toegekend onder 3° van Uwer Majesteits besluit van 8 November 1915 n°. 38, veroorloven zich de ondergeteekenden leden der in genoemd besluit bedoelde Staats-Commissie, de vrijheid Uwe Majesteit eerbiedig bij afzonderlijke Nota hunne denkbeelden over een onderdeel van het pensioenrecht der Burgerlijke Ambtenaren uiteen te zetten, waaromtrent in die Commissie geen eenstemmigheid kon worden verkregen.

Het betreft het recht van verzekering van Weduwen- en Weezenpensioen bij eventueel verlaten van den dienst, thans toegekend in art. -10, vierde lid, der bestaande wet, en welk recht in het Uwer Majesteit aangeboden wetsontwerp wordt voorgesteld den ambtenaar te ontnemen.

De leden der Commissie, (w.g.) Zeilmaker.

Dr. D. Snoeck Henkemans. Mulder.

A. L. Scholtens.

TüRKSMA.

Toelichting.

Volgens de meening van ondergeteekenden is er geen voldoende reden om te breken met de bevoegdheid die de tegenwoordige wetgeving kent, om bij het verlaten van den dienst het recht op pensioen voor de nagelaten betrekkingen te reserveeren. In het bijzonder ook, waar bij heffing van een bijdrage volgens vast te stellen tarief, van de Schatkist geen offer behoeft te worden gevraagd.

Uit tal van aanvragen bh' het verlaten van den dienst blijkt dat van het in de bestaande Wet toegekende recht niet alleen veel gebruik werd gemaakt maar dat de mogelijkheid, de natelaten betrekkingen bn' het Weduwen- en Weezenfonds verzekerd te houden, op hoogen prijs wordt gesteld.

Beperking of intrekking van dat recht zouden ondergeteekenden in hooge mate betreuren.

48

Sluiten