Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Afzonderlijk advies van de heeren Trip, Mulder, Snoeck Henkemans en von Weiier.

Uwer Majesteits besluit van 8 November 1915, n°. 38, geeft aan ieder lid der staatscommissie het recht, zijn gevoelen, indien het van dat der meerderheid afwijkt, in een afzonderlijk advies kenbaar te maken.

De ondergeteekenden veroorloven zich, met gebruikmaking van dat recht, het volgende onder de aandacht van Uwe Majesteit te brengen.

Zij kunnen zich niet vereenigen met het voorstel om niet slechts voor het eigen pensioen maar ook voor dat van nagelaten betrekkingen geene bijdrage van de ambtenaren meer te vorderen. Het laatste gaat, naar hunne overtuiging, te ver. Zij meenen, dat op grond van de volgende twee overwegingen ten deze dient onderscheiden te worden tusschen het eigen pensioen en dat van de nagelaten betrekkingen.

De eerste is van principieelen aard en bestaat hierin, dat het wenschelijk is boven twijfel te stellen en duidelijk tot uiting te brengen, dat vóór alles op den ambtenaar de plicht rust, zelf voor zijn naaste betrekkingen, die bij zijn overlijden achterblijven, te zorgen.

De tweede is gegrond op de omstandigheid, dat thans de deelgerechtigden in het weduwen- en weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren de kosten der ten laste van dat fonds komende pensioenen zeiven -betalen en zulks in tegenstelling met de kosten der eigen pensioenen, die voor ongeveer twee-derden door het Rijk worden bestreden.

Met betrekking tot de eerste overweging zij opgemerkt, dat hare juistheid bezwaarlijk voor tegenspraak vatbaar is. Dat een goed huisvader verplicht is zich de noodige opofferingen te getroosten ten einde te voorkomen, dat zij, wier verzorging hem tot taak is gesteld, bij zijn overlijden zonder middelen van bestaan zouden achterblijven, wordt door niemand ontkend. Aangevoerd zou kunnen worden, dat ook na de invoering van het premievrij weduwe- en weezenpensioen, de ambtenaar in het wezeh der zaak de kosten van dat pensioen zelf betaalt aangezien bij het bepalen van het salaris, met het. nietbetalen van de premie rekening wordt gehouden. Dit zou inderdaad juist zijn indien met de meerderheid der Staatscommissie moest worden ingestemd waar deze betoogt, dat hetgeen bij een premievrij pensioen, de pensionneering aan de publiekrechtelijke corporaties meer zal kosten, opgewogen zal worden door lager uitgaven voor salarieering. Deze stelling onderschrijven de ondergeteekenden echter niet. Hierop zal nader worden teruggekomen. Doch ook al ware het anders en al zou derhalve die stelling niet voor betwisting vatbaar zijn, dan nog zouden de ondergeteekenden uithoofde van het hierboven uiteengezette beginsel, er de voorkeur aan geven, in de kosten van het pensioen aan de nagelaten betrekkingen, te voorzien door eene korting op de salarissen van het personeel. Langs dien weg toch zal het besef bij de ambtenaren, dat zij zei ven zich de noodige opofferingen voor hunne nagelaten betrekkingen getroosten, veel sterker worden gevestigd dan het geval zou zijn bij de toekenning van een premievrij weduween weezenpensioen. Hieraan moet, naar de meening van ondergeteekenden, groote waarde worden gehecht.

Wat de hierboven in de tweede plaats genoemde overweging aangaat, veroorloven de ondergeteekenden zich het volgende mede te deelen.

Zooals reeds werd aangestipt, betalen de burgerlijke ambtenaren onder de vigeerende regeling slechts een deel, gemiddeld ongeveer een derde, van de kosten van het eigen pensioen

49

Sluiten