Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

name voor de burgerlijke Rijksambtenaren eene nieuwe herziening bij de salariscommissie in voorbereiding doch de aandacht zij erop gevestigd, dat de ontworpen pensioenregeling en daarmede de vrijstelling van premie betrekking heeft op nagenoeg het geheele personeel in overheidsdienst, met uitzondering van de personen in militaire betrekkingen, en bovendien op hen, die werkzaam zijn bij het bijzonder onderwas. Dat voor al deze groepen binnen afzienbaren tyd eene nieuwe verhooging van salaris tot stand zou worden gebracht, die als gevolg van de afschaffing der pensioenpremie, achterwege zou kunnen blijven of tot een lager bedrag zou toegekend kunnen worden, achten de ondergeteekenden op zijn minst genomen, twijfelachtig.

Maar ook al ware het anders, dan dient nog in aanmerking te worden genonien, dat, al zouden in de nieuwe traktementsregeling, bij handhaving van de korting voor weduwe- en weezenpensioen, de wedden voor de laagstbezoldigde groepen eenigszins hooger bepaald moeten worden dan ingeval ook deze korting werd afgeschaft, hetzelfde niet zou behoeven te geschieden ten aanzien van de hooger bezoldigden. Voor deze laatsten geldt niet, dat zij hun salaris, na aftrek van elke korting, in elk geval in contanten moeten ontvangen om in de kosten van het levensonderhoud te kunnen voorzien. De ondergeteekenden achten het zeer wel mogelijk, dat tal van bezoldigingen niet hooger behoeven gesteld te worden op grond van handhaving der hierbedoelde pensioenpremie.

Ten bewijze, dat de stelling van de meerderheid der Staatscommissie in hare algemeenheid niet als juist kan worden aanvaard, veroorlooven de ondergeteekenden zich voorts nog in herinnering te brengen, dat eerst zeer onlangs de traktementen van de onderwijzers bij het lager onderwijs wettelijk zijn geregeld en bij die gelegenheid belangrijk zijn verhoogd. Bij de behandeling in de Tweede Kamer der Staten-Generaal van het ontwerp dier wet antwoordde de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen ontkennend op de door den heer Ketelaar gestelde «raag, of de gemeenten bevoegd zouden zijn ook voortaan voor de onderwijzers de pensioensbijdragen te betalen. (Handelingen 1918—1919 blz. 2496). Hieruit blijkt, dat bij de vaststelling van deze traktementen, welke, naar is aan te nemen, niet binnenkort zullen verhoogd worden, met de korting voor pensioen is rekening gehouden. Reeds alleen voor deze groep van personeel zou de afschaffing der korting van 7 % het Rijk op eene jaarlijksche uitgave komen te staan, welke niet ver beneden f 4 000 000 zou blijven. Doch er . is meer. In het bijzonder de vrijstelling van premie voor het weduween weezenpensioen zou voor den Staat tot verstrekkende financieele consequenties voeren. . Zooals bekend, hebben de militaire landsdienaren thans aanspraak op een premievrh' eigen pensioen. Voor het weduwe- en weezenpensioen getroost de Staat zich echter geen opofferingen van' eenige beteekenis. Dit zou noodwendig veranderen zoodra hei Rijk aan zijn •burgerlijke ambtenaren een premievrij weduwe- en weezenpensioen verzekerde. Op welken grond zou dan dezelfde gunst aan het militaire personeel kunnen geweigerd worden ? Hetzelfde geldt voor de Rijkswerklieden, die thans het pensioen hunner nagelaten betrekkingen eveneens zei ven bekostigen.

Voorts zij in dit verband genoemd het spoorwegpersoneel. Bij de Staten-Generaal is een wetsontwerp aanhangig betreffende de bijdragen, welke van laatstgenoemd personeel voor pensioen worden gevorderd. Volgens de voorgenomen regeling zullen de spoorwegmaatschappijen zich te rekenen van 1 April 1919, belasten met de afloopende korting, welke voor het eigen pensioen van het personeel werd geeischt. De doorloopende korting voor' weduwe- en weezenpensioen blijft gehandhaafd. De lezing van de bij het bovenbedoelde wetsontwerp behoorende Memorie van Toelichting geeft aanleiding voor de verwachting, dat afschaffing van laatstbedoelde korting ten aanzien van de burgerlijke Rijksambtenaren tot gelijken maatregel zou voeren ten opzichte van het spoorwegpersoneel. Het is niet buitengesloten, dat deze maatregel consoquentiën zou medebrengen voor den Staat, die immers, door opoffering van de plaatskaartenbelasting, langs indirecten

Sluiten