Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weg feitelijk de vrijstelling van het spoorwegpersoneel van premiebetaling voor eigen pensioen bekostigt.

Als gevolg van een en ander zouden de lasten, welke voor het Rijk zouden voortvloeien uit het besluit om de kosten van de weduwe- en weezenpensioenen niet door het personeel doch door de overheidsorganen te doen dragen, belangrijk meer bedragen dan de premie, welke uit hoofde van dat besluit, door het Rijk zou zijn te storten in het pensioenfonds, bedoeld in artikel 1 van het door de Staatscommissie samengestelde wetsontwerp.

Doch ook afgescheiden van de hierboven uiteengezette consequentiën, moet, naar de ondergeteekenden meenen, met het oog op den zeer zwaren druk, welke het budget van het Rijk, door de invoering van de voorgestelde regeling zal ondervinden, het zooeven bedoelde besluit niet worden genomen. De volgende becijfering, welke uit den aard der zaak een globaal karakter draagt doch wier uitkomst eer te laag dan te hoog is, strekt om een ovei zicht van dien druk te geven.

De Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1920 is voor de betaling van de burgerlijke pensioenen in rond cijfer bezwaard met- , f 6 825 000

In mindering hiervan komen de bijdragen van het personeel, welke onder de Rijksmiddelen zijn opgenomen tot een gezamenlijk bedrag van rond 5 000 000

Per saldo wordt derhalve te dezer zake van de belastingbetalers gevorderd f 1 825 000

Onder vigeur van de regeling, zooals die in het wetsontwerp is neergelegd, zal benoodigd zijn:

a. voor de . betaling van de eigen pensioenen der bij de invoering van de wet reeds gepensionneerden . f 6 825 000

b. 10 pet. van de pensioensgrondslagen der op het tijdstip dier invoering in dienst zijnden

tot dekking der lasten van de eigen pensioenen 13 000 000

c. een bedrag tot voorziening in het tekort, dat veroorzaakt wordt doordien voor de onder b genoemden over den tijd aan de invoering van de wet voorafgaande, geen reserve is gevormd. Indien dit tekort over een 100-jarig tijdvak verdeeld wordt, dan is de annuïteit, bij een rentevoet van 4 pet., te stellen op 9 200 000

d. 6]/2 pet. !) van de pensioensgrondslagen voor

weduwe- en weezenpensioen 7 600 000

e. eene annuïteit als onder c bedoeld tot geleidelijke dekking van het tekort, dat veroorzaakt wordt doordien de premie, welke voor weduwenen weezenpensioen over den tijd, aan de invoering der wet voorafgaande, is gevorderd van de bij die invoering in dienst zijnden, te laag was tot dekking van de pensioenen, die hun nagelaten betrekkingen onder de nieuwe regeling zullen ontvangen. De annuïteit is te stellen op . . 1 500 000

totaal van de lasten onder de nieuwe regeling f 38 125 000 Zooals boven vermeld bedragen de lasten thans 1 825 000

zoodat, afgescheiden van de toeneming van uit gaven, welke het gevolg zal zijn van de uitbreiding van personeel en ongetwijfeld meer dan zal opwegen tegen de vermindering van uitgaven als gevolg van het uitsterven van de, bij de invoering der wet, reeds gepensionneerden, de gewone Rijksuitgaven zullen stijgen met niet minder dan . f 36 300 000

») Dit percentage is op 61/» gesteld, instede van op 7, omdat in den gedachtengang van het wetsontwerp, dat de lasten op de werkgevers legt, geen aanleiding bestaat de bijdrage te beperken tot het deel van den pensioensgrondslag, dat een bedrag van f 3000 niet te boven gaat. Dientengevolge kan de premie volgens het wetsontwerp eenigszins lager zijn.

Sluiten