Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij artikel 5 van Uwer Majesteits besluit van 8 November 1915, n°. 38, werd aan ieder der leden van de Staatscommissie, welke bij dat besluit werd ingestêld, het recht toegekend zijn gevoelen, indien het van dat der meerderheid mocht afwijken, in een afzonderlijk advies kenbaar te maken.

Gebruik makende van die bevoegdheid, veroorlooft de ondergeteekende zich eerbiedig het navolgende onder de aandacht van Uwe Majesteit te brengen.

Tot de onderwerpen, welke door de commissie bij de uitvoering van de haar verstrekte opdracht, in overweging zijn genomen, behoort het ingewikkelde vraagstuk, naar welk stelsel de berekening der pensioenen op de meest billijke en minst omslachtige wijze ware te regelen.

Reeds in het verslag (bladz. 18 e. v.) is uitvoerig uiteengezet, dat noch het stelsel van pensioenberekening der Pensioenwet van 1846, noch dat der wetten van 1890 en 1913 in de praktijk hebben voldaan.

Nu eene nieuwe regeling van het pensioenwezen wordt voorbereid, moet de vraag worden beantwoord, of het beginsel, waarop die verschillende stelsels tot dusver steeds hebben berust, te weten, dat het pensioen behoort te worden berekend naar verhouding van den diensttijd en naar de in het laatste tijdperk der ambtelijke loopbaan verkregen wedde, zal moeten worden gehandhaafd, dan wel een ander beginsel daarvoor in de plaats zal behooren te worden gesteld.

De meerderheid der commissie heeft die vraag in eerstvermelden zin beantwoord, al heeft ook zij het oude beginsel wederom op andere wijze uitgewerkt, dan de bestaande en vroegere pensioenwetten zulks deden. Hoewel de ondergeteekende de wenschelijkheid erkent, in het algemeen, wanneer eene wetswijziging wordt ondernomen, ingeleefde en door de praktijk geijkte instellingen zooveel mogelijk te behouden, is hij niettemin van oordeel, dat het hooger bedoeld beginsel niet langer aan billijke eischen kan voldoen.

In de eerste plaats omdat het, op welke wijze het moge worden uitgewerkt, in den weg zal staan aan het zich in zoo ruim mogelijken zin aanpassen der nieuwe wet aan de toestanden, welke zij zal hebben te beheerschen.

Enkele kenmerkende verschillen tusschen vroegere toestanden en de huidige mogen hier met een enkel woord in herinnering worden gebracht.

Het is dan niet in de eerste plaats de groote uitbreiding van het aantal ambtenaren in den loop der laatste decennia, welke gewicht in de schaal legt, maar veeleer de omstandigheid, dat vroeger eng gesloten kringen der verschillende groepen van ambtenaren zich hebben geopend, zoo dat overgang van ambtenaren van den eenen tot den anderen kring telkens plaats heeft, dat menigmaal dezelfde persoon tegelijkertijd meer dan ééne betrekking vervult en, in dat geval, soms verschillende organen van het publiek gezag dient en eindelijk, dat zelfs gevallen voorkomen, waarin, naast het ambt, eene particuliere betrekking wordt bekleed, welke dan in den regel de hoofdbron der inkomsten van den betrokken ambtenaar is. De ambtelijke

Sluiten