Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Evenwel, het is alleen in de gevallen, waarin een zeer 'langdurige diensttijd in berekening kan worden gebracht, dat werkelijk een pensioen wordt verkregen, dat vrijwel aan het vooropgestelde beginsel beantwoordt. In alle andere gevallen — en deze zijn zeer talrijk — houdt, door de combinatie van de beide factoren, ieder feitelijk verband tusschen het pensioensbedrag en den laatstelijk verkregen levensstandaard op.

Immers, wanneer de vorenbedoelde ambtenaar, in stede van een 40-jarigen, slechts een 20-jarigen diensttijd had kunnen aanwh'zen, zou hij krachtens de bestaande wetgeving een pensioen van slechts ]/s X f 2400,— == f 800— hebben ontvangen. Het ontwerp geeft dezen ambtenaar iets meer, nl. f 960,—, maar niettemin mag men vragen, welke voor den gepensionneerde, die zijn inkomsten van f 2400,— tot f 800,— (f 960,—) ziet dalen, de beteekenis is der belofte, dat zijn pensioen verband zal houden met den laatstelijk verworven levensstandaard. Die belofte wordt dan niet meer dan eene fictie. De combinatie van dien factor met den diensttijd brengt in de methode van pensoensberekening een element van onwaarheid, dat, naar de meening van den óndergeteekende, tot dusver de pensioenwetgeving heeft ontsierd.

En de zwakheid dier methode blijkt uit de ingrijpende correctie's, die noodig zijn gebleken, om haar bruikbaar te maken, voor de praktijk.

Welke zijn die correctie's?

Vooreerst de mogelijkheid, welke het tweede lid van artir kei 50 van het ontwerp openlaat, het pensioen te berekenen, öf naar de middelsom der grondslagen over de laatste drie, öf naar de middelsom, hetzij over de laatste tien jaren, hetzij over den geheelen-diensttijd genoten. Deze correctie is onontbeerlijk, wil men — nu de bevestiging van den grondslag, terecht, niet gehandhaafd bleef, — althans eenigszins rekening kunnen houden met hoogere wedden door den ambtenaar in vroeger jaren, 'lang vóór zijn ontslag, genoten. Gevoeld toch is het bezwaar, dat het Inderdaad niet aangaat, de hoogere wedden verbonden aan in vroeger jaren bewezen, menigmaal belangrijke en goed bezoldigde diensten geheel of ten deele te verwaarloozen. In dat geval toch zou het pensioen de diensten van den ambtenaar niet naar waarde vergelden en zou men vervallen in dezelfde fout, welke het stelsel der burgerlijke pensioenwet van 1890 aankleefde en die op bladz. 22 sub H van het verslag is uiteengezet.

Is dus de correctie onontbeerlijk, toch is zij niet afdoende. Treffend toch mag het worden genoemd, dat hoewel in beide in voorbeeld n°. 1 gestelde gevallen identiek dezelfde diensten werden vervuld, de eene ambtenaar een hooger pensioen verkrijgt dan de ander. (Zie voorbeeld n°. 1 sub B) (1).

Reeds thans — over dit onderwerp later meer — zij de aandacht gevestigd op deze verschillende pensioensbedragen. Een van de hoofdbezwaren toch tegen. het in het ontwerp aanvaarde stelsel van pensioensberekening, is naar het oordeel van óndergeteekende, dat het de bedragen der pensioenen in belangrijke mate afhankelijk doet blijven van het toevallig verloop der ambtelijke carrière, waardoor ook bij overigens volkomen gelijke dienstprestatie, de eene ambtenaar een belangrijk hooger pensioen verkrijgt, dan de ander.

Voorts zij nog eene andere opmerking tenopzichte van de hooger bedoelde correctie onder de aandacht gebracht. Het ontwerp wil — gelijk gezegd rekening houden met hoogere wedden, vroeger door. den ambtenaar genoten. Daarbij wordt echter voorbijgezien, dat daardoor in de berekening van het pensioen wordt ingevoerd een factor, waarvan de waarde op het tijdstip der pensionneering eene gansch andere kan zijn, dan die was op het tijdstip, waarop de hoogere wedde werd genoten, m. a. w. voorbijgezien wordt de zeer belangrijke stijging der wedden, die bij alle takken van overheidsdienst, vooral sedert het jaar 1918 is ingetreden. Had het stelsel van het ontwerp de correctie niet noodig, bleef alleen de midelsom der wedden over de laatste drie dienstjaren nevens den diensttijd, factor der

(1) Zie voor de verklaring der graphische voorstellingen verslag der commissie blz. 18 en 19.

Sluiten