Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

berekening, dan zou dit bezwaar zich niet doen gevoelen. Nu men echter op het tijdstip, waarop men het toekomstig pensioen van den ambtenaar becijfert, ook rekening gaat houden met vroeger genoten belooningen, schijnt het minder juist het feit te verwaarloozen, dat de levensstandaard belangrijk is gestegen en dat derhalve iedere gulden van de vele jaren geleden genoten wedde een aanmerkelijk lager bedrag vertegenwoordigt, dan hij werkelijk op het tijdstip der pensionneering heeft.

Vooral zij, die — de juistheid dezer begripsbepa'ing zij hier in het midden gelaten — het pensioen opvatten als „uitgesteld loon", zullen het zooeven gestelde als een gewichtig bezwaar tegen de aangebrachte correctie gevoelen, omdat het verband tusschen het werkeiyk genoten en het uitgestelde loon (het pensioen) wordt verbroken. Het stelsel verkrijgt daardoor eene vaagheid, zóó, dat de vraag rijst, of inderdaad nog van een „stelsel" kan worden gesproken. Want, nog eens, wanneer men, bij daling der wedde, den in het laatste tijdperk der ambtelijke loopbaan verworven levensstandaard, als factor van pensioenberekening loslaat en den vroeger verkregen hoogeren levensstandaard een rol wil laten spelen, dan wordt daarmede erkend, dat anders het pensioen niet zou zijn een billijke vergelding van den bewezen dienst, erkend dus, dat het pensioen den geheelen dienst van den ambtenaar behoort te vergelden, naar de waarde welke die heeft gehad. Naast de stelling: pensioen naar den laatstelijk verworven levensstandaard, wordt hier ingevoerd een ander — en, dit zij dadelijk gezegd, veel juister doch in wetsontwerp I niet voldoende tot zijn recht gebracht — uitgangspunt: pensioen naar de waarde van den gepresteerden dienst.

Edoch — dit zijn twee heterogene beginselen. Worden zij te zamen gewrongen in één stelsel, dan mag daaruit de conclusie worden getrokken, dat het stelsel hinkt op twee gedachten.

Een tweede ingrijpende correctie betreft de bepaling van een minimum-pensioen (artikel 50, 1ste lid van het ontwerp). Ook deze correctie kan bezwaarlijk worden gemist. Immers zou, bij consequente doorvoering van het gekozen stelsel, bij korten diensttijd — in welk geval in den regel pensioen wordt genoten wegens invaliditeit — het pensioen te laag zijn, zou het tekort komen aan de belofte: pensioen naar den laatstelijk verworven levensstandaard. In het midden zij gelaten, of dit reeds door een minimum van 30 pet. in voldoende mate wordt voorkomen. Op tweeërlei bedenkingen tegen het bepalen van een minimum zij evenwel de aandacht gevestigd. In de eerste plaats op de noodzakelijkheid om nu, in tegenstelling met de voorschriften der bestaande wetgeving, ook voor hen, die aanspraak hebben op ouderdomspensioen, een minimum diensttijd van 7 jaren te eischen. Bleef te dezer zake de bestaande regeling gehandhaafd, dan zou iedere waarborg ontbreken tegen aanstelling van reeds bejaarde personen, met het doel hun, ten laste van het fonds, een vaak niet onbelangrijk minimum-pensioen te doen deelachtig worden.

Evenwel, er zijn ambten, waarvoor, in den regel, slechts personen van rijpen leeftijd in aanmerking komen. De eisch, dat ten minste een 7-jarige dienst op 65 jarigen leeftijd moet zijn vervuld, kan op de keuze van den aan te stellen persoon zeer belemmerend werken, dan wel de Overheid nopen tot het in dienst houden van te oude ambtenaren, die billijkheidshalve niet zonder pensioen kunnen worden ontslagen.

Voorts ligt in de toekenning van een minimum-pensioen opgesloten, de fictie, dat de ambtenaar, een langduriger diensttijd kan aanwijzen, dan inderdaad het geval was. In het algemeen nu, valt het aanvaarden van fictie in de pensioenwetgeving te ontraden, omdat nooit a priori is uit te maken in welke gevallen der, eene eindelooze schakeering vertoonende praktijk, de fictie tot ongewenschte gevolgen aanleiding kan geven. Zoo moet hot (fictieve) minimum-pensisen menigmaal leiden tot het resultaat, dat zeer uiteenloopende dienstprestatie's op dezelfde wijze worden vergolden. Bij gelijke eindwedden toch, ontvangt hij, die zeven jaren heeft gediend, een

Sluiten