Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit, omdat het de daaraan verbonden voordeelen reduceert tot een minimum, derhalve de lusten aan het welslagen van dergelijke pogingen verbonden ongeevenredigd maakt aan de daarvoor door den op zijn'belang speculeerenden ambtenaar te aanvaarden lasten (zie Bijlage A voorbeeld n°. 8).

Veilig mag worden aangenomen, dat alle bezwaren, hiervóór tegen het door de meerderheid aanvaarde stelsel aangevoerd door het zooeven geschetste worden ondervangen.

Met name zij er nog op gewezen, dat in het stelsel van wetsontwerp II niet noodig is, de vaststelling van een minimum pensioen. Zulks op grond, dat uit het aanbevolen stelsel zelf voortvloeit, dat, bij korten diensttijd, een aanmerkelijk hooger pensioensbedrag wordt verworven, dan volgens het stelsel van de tegenwoordige pensioenwetten en evenzeer een hooger bedrag, dan dat van het. ontwerp I, wanneer men daar het voorschrift betreffende het minimum pensioen uitschakelt. Zie voorbeeld n°. 2.

Het wil óndergeteekende dan ook voorkomen,' dat het hier aanbevolen systeem van pensioenberekening slechts kan leiden tot verhooging van het gevoel van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid bij de ambtenaren in Overheidsdienst.

*

Nu de diensttijd als factor der pensioensberekening vervalt, behoorde eene regeling te worden getroffen op welke wijze diensten, die aanspraak geven op pensioen, doch die niet in de hoedanigheid van „ambtenaar" in den zin van het wetsontwerp, werden bewezen, in aanmerking zullen worden gebracht. Deze diensten zijn vermeld in artikel 52 van wetsontwerp I en in artikel 51 van juncto de overgangsbepaling en art. 128 van wetsontwerp II.

Wat de diensten betreft vóór de pensionneering bewezen in vroegere betrekkingen en die vervuld in onbezoldigde ambten en in zijdelingschen dienst, zijn de voorschriften van wetsontwerp I in wetsontwerp II voor zooveel noodig gewijzigd overgenomen. De berekening van de pensioengrondslagen, niet de diensttijd, speelt in dit stelsel een rol. In dit opzicht zijn, derhalve met behoud overigens van den gedachtengang van de bepalingen van wetsontwerp I de noodige veranderingen -aangebracht. Overigens geven deze groepen van diensten geen aanleiding tot bijzondere opmerkingen.

In het algemeen zij er reeds tharts de aandacht op gevestigd, dat het in wetsontwerp II uitgewerkte stelsel andere, en het zij hier geconstateerd veel eenvoudiger, overgangsbepalingen vordert, dan dat van wetsontwerp I. Aan dit onderwerp mogen hieronder nog eenige beschouwingen worden gewijd. Hier zij er slechts op gewezen, dat in art. 51 uitsluitend worden behandeld diensten na het tijdstip van in werking treden der nieuwe wet bewezen.

Dientengevolge ontmoet het voorschrift van art. 51 tweede lid geen bedenking, hetgeen wèl het geval zou zijn, indien men over diensttijdvakken aan het tijdstip van in werking treden der nieuwe wet voorafgegaan, pensioensgrondslagen zou moeten vaststellen. Men denke b. v. aan de in vroeger jaren veel te lage standpensioenen der militairen. Dit en dergelijke bezwaren zijn voor de toekomst uitgesloten, wijl de reeds thans voor de onderscheidene categorieën geldende salarisregelingen iederen twijfel aan het bedrag der in Werkelijkheid genoten genoten wedden uitsluiten. Bij algemeenen maatregel van bestuur kan, voor zoover noodig. eene regeling-worden getroffen, die in de detailpunten dezer aangelegenheid voorziet. Men zal dus niet alleen in de toekomst met bekende gegevens hebben te rekenen, maar verwacht -mag worden, dat art. 51 in eene niet te ver verwijderde toekomst nog zal kunnen worden vereenvoudigd, wanneer gevolg mocht worden gegeven aan het voornemen het personeel bh' de inrichtingen van 's Rijks Zee- en Landmacht en bij het Rijks-loodswezen met ambtenaren pin den zin der nieuwe wet" gelijk te stellen.

Sluiten