Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De eenige categorie, die tot eene bijzondere opmerking aanleiding geeft, is die der in de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen bewezen diensten. Deze werden tot dusver, bij de pensionneering als Nederlandsch ambtenaar, vergolden op denzelfden voet, als de diensten hier te lande vervuld. Dit wil dus zeggen, naar een maatstaf, die in geenerlei verhouding stond tot de voor die diensten genoten wedden. Billijk is dit niet. De Indische dienst toch is veel hooger bezoldigd en vergt eene belangrijk zwaarder inspanning, dan die in het moederland bewezen. De militaire pensioenwetten vergelden dan ook tot dusver den lndischen dienst dubbel, hetgeen, toegepast op de burgerlijke ambtenaren, in het stelsel der bestaande pensioenwetten en in dat van het wetsontwerp, I gelijk staat met eene verdubbeling van de middelsom, waarnaar het pensioen van den burgerlijken ambtenaar hier te lande wordt berekend. Het wetsontwerp I nu, schrijft, evenals de militaire pensioenwetten, dubbeltelling voor. Daarentegen laat het, door de Commissie, belast met de voorbereiding van eene herziening der militaire pensioenwetten, samengesteld wetsontwerp, die dubbeltelling weder los. Terecht, naar het voorkomt. De dubbeltelling van lndischen dienst is een maatregel, welke met de werkelijkheid geen verband houdt. Er bestaat toch geen enkele grond voor de stelling,1 dat iemand, die in Nederland wordt gepensionneerd naar een middelsom van b. v. f 4000, vroeger, stel 20, 25 of 30 jaren geleden, in Indië een pensioensgrondslag van f 8000 zou hebben gehad. En de bewering, dat ieder dienstjaar in Indië eene inspanning van den ambtenaar vordert, gelijkstaande met twee dienstjaren in Nederland, is, uit den aard der zaak, zuiver willekeurig.

Juister, want met de werkelijkheid in overeenstemming, is het, in het systeem van wetsontwerp II, de Indische diensten te vergelden naar de wedde, die daaraan werkelijk verbonden is geweest.

Art. 55 van het wetsontwerp II bevat de bepaling van het maximum pensioen. Evenals in wetsontwerp I is in het algemeen het maximum pensioen (behalve voor de Hoofden der Departementen van Algemeen Bestuur) bepaald op f 4000. Voor hen echter, wier pensioen dit cijfer niet bereikt, is aangenomen het gemiddelde der pensioensgrondslagen gedurende de geheelë ambtelijke loopbaan genoten. Bij een langdurige dienstpraestatie zal dus het pensioen gelijk zijn aan de inkomsten door den ambtenaar genoten in de kracht van zijn leven, d. w. z. in den tijd, waarin, in den regel het gezin de grootste uitgaven vorderde. Toch is het mogelijk,— en dit zal het geval zijn, wanneer de aanvangs — en de eindwedden zeer sterk uiteen loopen — dat de grens van het maximum pensioen naar verhouding van de bewezen diensten te laag zou zijn. Door de-toevoeging aan art. 55, dat, in dat geval, het maximum ten minste 70 ten honderd zal bedragen van de laatstelijk genoten wedde of wedden, wordt die mogelijkheid ondervangen.

Overigens zij verwezen naar de hieronder volgende opmerkingen betreffende de overgangsbepalingen in het bijzonder aangaande de berekening van het maximum pensioen van hen, die reeds vóór het tijdstip van inwerking treden der nieuwe wet in dienst waren, doch na dat tijdstip worden gepensionneerd.

Vooral bij dit ontwerp is het noodig, dat in het oog worde gehouden, dat aan het door óndergeteekende aanbevolen stelsel een gansch andere gedachtengang ten grondslag ligt, dan aan het ontwerp I en aan de tegenwoordige wet. Men zal zich, hèt is reeds te voren gezegd, los moeten maken van de opvatting, dat het pensioen verband behoort te houden met de laatstelijk door den ambtenaar verworven wedde en dat het beginsel „loon naar werk" de consequentie in zich sluit, dat het pensioen gelijk kan zijn aan, en zelfs kan overtreffen de laatstelijk door den ambtenaar genoten wedde. Het pensioen toch zal gelijk zijn aan de eindwedde in de — overigens zeer zeldzame — gevallen, waarin de ambtenaar gedurende de geheele ambtelijke loopbaan steeds dezelfde wedde heeft genoten. Het zal de eindwedde kunnen overtreffen in de, talrijker

Sluiten