Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gevallen, waarin de wedde aanmerkelijk is gedaald. (i>. v. door het verlies van één, van twee gelijktijdig bekleede ambten.) Toch komt dit hooger pensioen den ambtenaar toe op grond van de meer belangrijke of meer omvattende diensten vroeger door hem bewezen. Trouwens, bij scherpe daling der wedde, is het, ook in het systeem van wetsontwerp I, mogelijk, dat het pensioen gelijk is aan de laatst genoten wedde of die overschrijdt.

Reeds meermalen is opgemerkt, dat in het stelsel van wetsontwerp II de diensttijd-berekening vervalt. Verschillende bijzondere bepalingen voorkomende in wetsontwerp I, die op berekening van diensttijd betrekking hebben—gewezen zij bv. op art. 56 van wetsontwerp I — zijn, met behoud van den gedachtengang van dit ontwerp, omgewerkt en ook in wetsontwerp II in dien gewijzigden vorm behouden.

Ten slotte nog een woord over de pensioensberekening, wanneer gelijktijdig meer dan ééne betrekking werd vervuld en hetzij uit alle tegelijk, ontslag met aanspraak op pensioen wordt verkregen, hetzij ééne of meerdere betrekkingen worden verlaten, terwijl de ambtenaar in ééne of meer andere blijft doordienen (zie artikel 56 van Wetsontwerp II). , ,

Voor dit — gelijk uit het verslag biadz. 1,8 e. v. moge' blijken, — zoo ingewikkelde vraagstuk geeft het hier aanbevolen stelsel van pensioenberekening eene rationeele en eenvoudige oplossing, die onder alle omstandigheden consequent kan worden doorgevoerd. Men heeft hier niet re vragen naar éénheid of splitsing van dienst, niet naar het samenvoegen van diensttijd in verschillende betrekkingen bewezen, evenmin naar hetgeen onder eene „betrekking" moet worden verstaan. Hoe ingewikkeld de diensttijd van den ambtenaar ook geweest zij, het eenige, waarmede men te maken heeft is de totaalsom der pensioensgrondslagen gedurende zijne geheele ambtsvervulling verkregen.

De eenige casuspositie, welke nader behoort te worden geregeld, betreft het geval, dat een ambtenaar, die ééne of meer betrekkingen met aanspraak op pensioen verlaat, ééne of meer andere behoudt.

Eigenlijk ware het, theoretisch gesproken, rationeel in dergelijke gevallen geen pensioen toe te kennen. Immers, de ambtenaar, die na zijn ontslag uit de ééne, in eene andere betrekking blijft doordienen, blijft ambtenaar en het is met karakter van het pensioen in strijd, hem, zoolang hij nog ambtenaar is, te pensionneeren.

Evenwel, gelet moet worden op het feit, dat menigmaal ambtenaren worden ontslagen uit eene betrekking, die de hoofdbron hunner inkomsten vormde, terwijl zij eene nevenbetrekking blijven bekleeden. In zulke gevallen zou het onbillijk zijn den betrokken persoon zonder pensioen te laten vertrekken en hem dit eerst te verleenen, wanneer hij ook de nevenbetrekking verlaat. Evenmin ware zulks in het belang van den dienst, daar de ambtenaar in de aangehouden nevenbetrekking wellicht nog langen tijd nuttig werkzaam kan zijn.

•Evenwel, de ambtenaar zal zelf hebben te beoordeelen,, of hij, ambtenaar blijvende, het gedeeltelijk — immers, naar verhouding van een deel zijner diensten te berekenen — pensioen al dan niet zal aanvragen. Hem wordt de bevoegdheid om zoodanig verzoek te doen gegeven. Maakt hij daarvan geen gebruik, dan geeft hij daardoor geen zijner aanspraken prijs. Met name zal de termijn van 2 jaren bedoeld in art. 100 tweede lid van wetsontwerp I in dat geval niet van toepassing zijn.

•Rationeel is het evenwel, dat, wanneer het gedeeltelijk pensioen wordt aangevraagd, de som van het pensioen en van de wedden, die de ambtenaar blijft behouden, een bedrag van ten hoogste 80 ten honderd van de totaalinkomsten vóór het ontslag niet te boven ga.

De bedoeling van het gedeeltelijk pensioen is, in daartoe leidende gevallen, de inkomsten van den ambtenaar eenigszins

Sluiten