Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

diensten vóór en na het tijdstip van in werking treden der nieuwe wet bewezen.

De gedachtengang welke aan de bij wetsontwerp II gestelde overgangsbepalingen ten grondslag ligt is de navolgende:

Zoolang voor den ambtenaar het tijdstip van ontslag uit den dienst met aanspraak op pensioen krachtens de daarop betrekking hebbende wetsvoorschriften niet is aangebroken, bestaat er geen verkregen recht, doch nog slechts een uitzicht op pensioen ; een uitzicht, dat zich van den aanvang der dienstvervulling af heeft ontwikkeld en dat op iederen bepaalden lateren dag kan worden vastgesteld, aangenomen, dat de ambtenaar op dien dag werd ontslagen. Wanneer nu de bestaan cl e pensioenregeling door eene nieuwe wordt vervangen, moeten derhalve de overgangsbepalingen der nieuwe wet er voor waken, dat aan het op de oude wetsvoorschriften gegronde uitzicht, zoo mogelijk niet te kort worde gedaan. Dit wil dus zeggen, dat het van den aanvang der dienstvervulling af, tot op het tijdstip van inwerking treden der nieuwe wet gerijpte uitzicht door de overgangsbepalingen moet worden gehandhaafd. Dit doel nu, wordt ten volle bereikt, wanneer men op den dag, waarop de nieuwe wet in werking treedt, berekent hoe groot het pensioen is, waarop de ambtenaar op dien dag volgens de oude bepalingen, naar rede van zijnen diensttijd uitzicht heeft verkregen. Bij die berekening moet dan de voor het verkrijgen van het recht op toekenning van pensioen gestelde eisch, dat een minimum diensttijd moet zijn vervuld, buiten beschouwing blijven.

Nu de zeer vrijgevige (en beslist ongemotiveerd vrijgevige) bepalingen der bestaande wetten betreffende de vorming der pensioensgrondslagen bij het in werking treden der uieuwe voorschriften tot het verledene zullen behooren, is, naar het voorkomt, de eenige rationeele, billijke en eenvoudige en daardoor rechtszekerheid scheppende oplossing deze, dat voor alle op het tijdstip van in wérking treden der nieuwe wet in dienst zijnde ambtenaren worde berekend, op welk bedrag in geld het op dat tijdstip verkregen uitzicht op pensioen is te waardeeren. Dit bedrag wordt, wanneer- bij het verlaten van den dienst recht op pensioen wordt verkregen, gevoegd bij dat, waarop over den tijd der dienstvervulling, sedert het tijdstip van in werking treden der nieuwe wet en overeenkomstig hare bepalingen, aanspraak kan worden gemaakt.

Ongetwijfeld zal het een omvangrijken arbeid vorderen voor alle op evenbedoeld tijdstip in dienst zijnde ambtenaren de noodige berekeningen uit te voeren. Indien echter dit werk dadelijk goed en op practische wijze wordt geregeld, dan bestaat er geen reden, waarom het niet fta eenige jaren zou kunnen zijn voltooid. Wanneer men let op het moeilijk te overschatten voordeel, dat aldus in eeue zeer nabij liggende toekomst met de ingewikkelde en geheel onvoldoende, bestaande pensioenwetgeving zal zijn afgerekend en de pensioenberekening in de toekomst zal geschieden op de hoogsteenvoudige wijze bij art. 52 van wetsontwerp II voorgesteld, dan weegt zulks stellig ruimschoots op tegen de kosten en overigens betrekkelijk geringe bezwaren aan de uitvoering van dien arbeid verbonden.

De hier voorgestelde regeling is zóó eenvoudig, dat zij, op zich zelve geene nadere toelichting behoeft. Slechts op een tweetal punten zij alsnog de aandacht gevestigd.

1°. Volgens de bestaande voorschriften wordt het pensioen der onderwijzers bij het openbaar lager onderwijs berekend naar den middelsom hunner wedden over het laatstverloopen dienstjaar. Daarentegen geschiedt die berekening voor de overige categorieën van pensioengerechtigden naar de middelsom over de laatste vijf jaren. Reeds, het handhaven van dit verschil zou onbillijk zijn. Er is echter meer. Wil men het op het tijdstip van invoering der nieuwe wet verkregen uitzicht op pensioen zoo volledig mogelijk tot zijn recht doen komen, dan zal men moeten bedenken, dat verreweg de meeste ambtenaren nog geruimen tijd na evenbedoeld tijdstip in dienst zullen blijven en dat zij dus feitelijk reeds uitzicht hebben

Sluiten