Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorbeeld n°. 1.

Brjlagfe .A..

A.

Fig- !• Bij vergelijking van de casus posities in fig. 1 en fig. 2

2, geschetst, zal men zien, dat in beide gevallen volkomen gelijke

.... diensten zijn bewezen. De dienst in de betrekking a is echter

1000 [ 1500 in het geval van flg. 1 opgehouden (zonder aanspraak op pen-'

sioen) vMf jaren vóór het ontslag uit b, terwijl in het geval van fig. 2 de dienst in a vijf jaren later is aangevangen. In dit geval wordt dus uit beide ambten gelijktijdig ontslag verkregen.

„Q . J Zooals in het Verslag der Commissie bladz. 23 is uiteengezet,

*' ] gaf de burgerlijke pensioenwet van 1890, in het geval van

1 fig. 1, geen aanspraak op pensioen wegens de betrekking a bij

pensionneering uit de betrekking b en verwaarloost derhalve den 25 jarigen dienst (jaarwedde f 1000).

Daarentegen gaf de wet van 1890 in het geval van fig. 2 twee 1 pensioenen en wel een uit elke der betrekkingen a en b.

p Het stelsel van wetsontwerp I nu, corrigeert voor een

groot deel de ontegenzeggelijk in de wet van 1890 bestaande fout. In het geval van flg. 1 toch, verwaarloost het de omstan, digheid, dat twee betrekkingen gelijktijdig werden vervuld,

_ beschouwt de diensten in die betrekkingen als één geheel en

I 1500 berekent dus het pensioen, alsof de betrokken ambtenaar in ééne betrekking ééne wedde had genoten achtereenvolgens van a f 1500 -f- f 1000 = f 2500 en (gedurende de laatste 5

/ 2000dienstjaren) van f 1500. Werd nu echter het pensioen berekend uitsluitend naar den pensioensgrondslag gedurende de laatste . 1 drie dienstjaren verkregen (f 1500), dan zou het voorgaande

i •'' ] zonder resultaat blijven en de fout van de wet van 1890 niet

25 j. ) worden gecorrigeerd. Vandaar dat art. 50 van wetsontwerp I

de keuze laat tusschen drie sniddelsommen. Daardoor kan de f vóór het laatste 3-jarig diensttijdperk genoten hoogere wedde

(f 2500) voor de pensioensberekening medetellen. In het geval van fig. 1 toch bedraagt de middelsom der wedden voor den tj—! - ' p , geheelen diensttijd:

25 X f 2500 -f. 5 X f 1500 t „„„„ „„, , ï

— -P — — f 2333,333 en het pen-

30 ' *

sioen 30 X 2% van laatstgenoemd bedrag = f 1400. 15.

In het geval van fig. 2 bedraagt het pensioen 30 X 2% van f 2500. Immers, thans kan het pensioen worden berekend naar de middelsom der grondslagen over de laatste drie jaren, aangezien de beide andere middelsommen in art. 50 van wetsontwerp I bedoeld niet hooger zijn.

Derhalve bedraagt in het geval van fig. 2, het pensioen f 1500 (in het geval van fig. 1 f 1400).

Het stelsel van wetsontwerp II waarborgt in beide gevalleneen gelijke vergelding der bewezen diensten.

52

Sluiten