Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorbeeld n°. 2.

Voorbeelden van pensioensberekening bij korten (12-jarigen) diensttijd (werking minimumpensioen wetsontwerp I).

Fig. 1.

totaalsom der pensioengrondslagen f 9400

A.

600

700

1 i 800

1 i,

900

1 J1200 •i j1300

1 j1400

2 j1500

li»

1600

1 J'. 1700

1 J1800

1 t

1 Januari 1914.

\- tijdstip van inwerking tre¬

den der nieuwe wet.

6 j.

-ü 1 Januari 1926.

Vergelijkend overzicht. Volgens wetsontwerp II bedraagt het pensioen f 459. Volgens wetsontwerp I bedraagt het pensioen : (12 X 2% van f 1700 = f 408) minimum f 510. Volgens de geldende wet bedraagt het pensioen : ls/60 X f 1600 s= f 320.

Fig. 2. '

A

600 ( 2 j. 800 2 j1000 t

4 j-

1100 2 j. 700

600

2 j. 800 2j.

1000

3 j.

P

7 j. dienst.

P

18 j. dienst.

c.

Uit voorbeeld kan wederom, in aansluiting bij voorbeeld n°. 1 sub B, dienen, om aan te toonen hoezeer, in het stelsel van wetsontwerp I het bedrag van het pensioen afhankelijk is van het toevallig verloop der ambtelijke loopbaan. Indien in flg. 2 de thans aan het einde van de ambtsvervulling

Opmerking:

De aandacht zij er op gevestigd, dat, in het stelsel van wetsontwerp II, het pensioen, bij korten dienstijd aanmerkelijk hooger is, dan volgens het stelsel der vigeerende wet, en het bedrag — ofschoon lager — reeds dat van het minimum van wetsontwerp I nadert.

B.

Twee ambtenaren (A en B) dienen gedurende zeven jaren in gelijksoortige betrekkingen op geheel gelijken voet. B verlaat na dat tijdvak, den dienst wegens invaliditeit en ontvangt een pensioen van 30 % van f 1000 = f 300 (minimum) A blijft doordienen, ziet aanvankelijk zijne jaarwedde nog tot f 1100 stijgen, doch, na twee jaren, wordt de wedde verminderd tot f 700. A wordt'na 18-jarigen dienst gepensionneerd. Volgens het stelsel van wetsontwerp I ontvangt A een pensioen van slechts f 292.

Ofschoon dus A meer dan eens zoo lang diende dan B, niet slechts dezelfde, doch zelfs nog hooger bezoldigde diensten verrichtte dan B, ontvangt hij een lager pensioen.

Zoo leidt dus de in het stelsel van wetsontwerp I noodige correctie van het minimum pensioen tot hoogst ongelijkmatige vergelding van bewezen dienst.

"vallende 8 jarige dienst met een grondslag van f 700 ware bèwezen in den aanvang, en A ware gepensionneerd, toen hij 2 jaren eene grondslag van f 1100 had gehad, dan zou hij volgens de voorschriften van Wetsontwerp I een pensioen hebben ontvangen van f 384 in stede van f 292 ofschoon hij geheel dezelfde diénsten zou hebben gepresteerd.

Sluiten