Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorbeeld n°. 3.

Dit voorbeeld behandelt vier verschillende casusposities. In alle is, nevens de betrekking a een ander ambt (b, b1, b3 en ö3) bekleed, dat in de vier gevallen hetzelfde is en gelijk bezoldigd, doch in het eene geval vroeger werd vervuld dan in het andere. In de vier gevallen is het nevenambt 5 jaren vervuld. In het geval P is de ambtenaar uit a en b gelijktijdig ontslagen; in de gevallen Q, R en S is het ontslag 61, ö* en b'6, respectievelijk 3 maanden, 7 jaren en 14 jaren vóór het ontslag uit a ingegaan. a

Vt 1909. 600

2iS 1910 T700

700 I 2j- Bj.J

2 800 I

900

m

. 1000 b* 2 J-j TT 700

1100 I 700

tijdstip invoering nieuwe wet 2 j.

1200 I

1300 b b1

2 H , 700,700

i 1400

2 j- . . I

oi.' 0 1./ i 1500 J ) )

Vi 1929.1 -

p P Q R S

Vergelijkend overzicht Volgens wetsontwerp II bedraagt het pensioen in het geval: P f 741. Q f 741. R f 715. S f 710.

Volgens wetsontwerp I bedraagt het pensioen, in het geval: P f 587. Q f 844. R f 632. . S f 587.

Volgens de tegenwoordige wet bedraagt het pensioen in het geval: P f 474. Q. f 485. R f 634. S f 534.

Opmerking.

Ofschoon P, Q, R en S dezelfde diensten hebben gepresteerd en hun dus billijkheidshalve hetzelfde pensioen zou toekomen, zij gewezen op de zeer uiteenloopende bedragen der pensioenen berekend volgens de stelsels van wetsontwerp I en volgens de tegenwoordige wet, Uit dit voorbeeld blijkt derhalve duidelijk hoezeer in die stelstels het pensioensbedrag afhankelijk is van het toevallig verloop der ambtelijke, loopbaan.

Daai entegen loopen in het stelsel van wetsontwerp II de pensioenen zeer weinig uiteen. Dat er nog eenig verschil is, ligt aan de toepassing van de oude wet op de berekening van het pensioen voor de vroegere diensten. Voor de toekomstige ambtenaren zijn, in de vier gevallen, de pensioenen gelijk.

N.B. Zie de berekening der vermelde cijfers aan ommezijde.

53

Sluiten