Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A. is van 1900—1916 in 2 betrekkingen a en b werkzaam geweest. In 1916 wordt hij verkozen tot lid van den gemeenteraad, of aanvaardt eene particuliere betrekking. Tien jaren

400 t Vi 1900300

2 j. 2 j.

500 400

2 j. 2 j.

600 500

2 j. 2 j.

700 600

2 j. 2 j.

800 . 700

2 j. 2 j.

900 800

2 j. 2 j.

1000 900

2 j. 2 j.

1100 1000

2 1 Vï 1916 - 2 j-

i dienstonderbreking van 10 jaren.

j[ de nieuwe wet is inmiddels in ij werking getreden.

400 T Vi 1926 2j.

-1- Vi 1928

Opmerkingen.

Belanghebbende ontvangt volgens wetsontwerp I geen pensioen op grond van het voorschrift van art. 43 § 3 van dat ontwerp. Immers, hij heeft in de zeven jaren onmiddellijk aan den datum van zijn ontslag voorafgegaan geen drie jaren werkelijk dienst gedaan. Deze bepaling heeft ten doel te voorkomen, dat iemand, die vroeger ambtenaar is geweest, doch den dienst zonder aanspraak op pensioen verliet, door herplaatsing voor zeer korten tijd zijne vroegere aanspraken zou kunnen doen herleven. Tegen deze beperking der pensioensaanspraken bij herplaatsing heeft steller dezes bezwaar, wijl zij in vele gevallen niet voldoende met de billijkheid rekening houdt. Bleef zij beperkt tot de gevallen, waarin aanspraak op ouderdoms- of vervroegd ouderdomspensioen aanwezig is, dan

later, (1926), wordt hij benoemd tot Secretaris eener gemeentelijke weldadigheidsinstelling, doch reeds het volgend jaar wordt hij aangetast door eene ernstige ziekte, die hem dwingt met ingang van 1 Januari 1928 ontslag te nemen.

. Vergelijkend Overzicht, pensioen volgens wetsontwerp II f 588 pensioen volgens wetsontwerp I nihil pensioen volgens de geldende Wet f 504.

kon men er vrede mee hebben, omdat het tijdstip, Waarop het recht op pensioen ontstaat, in dat geval vooruit kan worden berekend. In alle andere gevallen echter, is dat tijdstip niet vooruit te berekenen. Men zal toch in den regel niet vooruit kunnen speculeeren op het vermoeden, dat men binnen twee of drie jaren invalide zal worden en daardoor ongeschikt voor den dienst, of dat de betrekking, die men bekleedt, zal worden opgeheven. In al deze gevallen is er, bij bet opnieuw aanvaarden eener op pensioen aanspraak gevende betrekking, niet de opzet zich binnen zeer korten tijd te doen pensionneeren. In zulke gevallen zal de beperking dan ook stellig zeer onbillijk werken.

In het wetsontwerp II, dat bij de berekening van het pensioen uitgaat van het beginsel „loon naar werk", mocht dan ook deze beperking van het pensioenrecht niet behouden blijven.

Sluiten