Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beschikking van den Pensioenraad, die zoo noodig inlichtingen bij anderen inwint, de gepensionneerde onderwerpen aan een geneeskundig onderzoek, als bedoeld bij artikel 64.

Verhindert hij, zij het ook alleen door gebrek aan medewerking, dat een onderzoek of een voldoende onderzoek plaats heeft, dan kan de Pensioenraad bepalen, dat na afloop van den termijn, waarvoor zij aanvankelijk werd toegekend, de schadeloosstelling zal zijn vervallen.

2. Blijkt bij het nieuwe onderzoek, dat de gepensionneerde door voor hem passenden arbeid geheel in zijn levensonderhoud kan voorzien, dan wordt de hem toegekende schadeloosstelling ingetrokken met ingang van den dag na dien, waarop de termijn tot toekenning eindigt.

3. Blijkt bij het nieuwé onderzoek, dat de gepensionneerde door voor hem passenden arbeid gedeeltelijk in zijn levensonderhoud kan voorzien, dan wordt de hem toegekende schadeloosstelling verminderd, met ingang van den dag na dien, waarop de termijn tot toekenning eindigde. De vermindering geschiedt dan tot 3/4, y„ of 1ji van het bedrag der verhooging, naarmate van den graad der geschiktheid om door hem passenden arbeid in het levensonderhoud te voorzien.

4. Bij een besluit tot vermindering der schadeloosstelling, bepaalt de Pensioenraad een termijn, waarbinnen intrekking of nieuwe vermindering niet zal kunnen plaats vinden. Overigens kan de Pensioenraad, met inachtneming van het bepaalde in de beide laatste volzinnen van het eerste lid van dit artikel, de schadeloosstelling steeds herzien, in verband met veranderingen in de geschiktheid van den gepensionneerde, om door voor hem passenden arbeid in zijn levensonderhoud te voorzien, met dien verstande echter, dat herziening niet meer kan plaats grijpen wanneer sinds de eerste toekenning van het pensioen 7 jaar of langer zijn verloopen.

Artikel 55.

1. Het pensioen, alsmede de som van het pensioen en van de schadeloosstelling, bedoeld in de beide voorgaande artikelen, overschrijden niet de middelsom der pensioensgrondslagen, die voor den ambtenaar gedurende diens ambtsvervulling gemiddeld per jaar hebben gegolden. Indien echter evenbedoelde middelsom minder bedraagt dan 70 ten honderd van den pensioensgrondslag of van de gezamenlijke pensioensgrondslagen, die de betrokken ambtenaar gemiddeld gedurende het laatste jaar zijner ambtsvervulling heeft gehad, dan treedt laatstvermeld bedrag in de plaats der middelsom.

2. Voor wien, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 128 2de lid wegens diensten vóór het in werking treden dezer wet bewezen, het pensioensbedrag is vastgesteld, wordt deze middelsom berekend naar het honderdvoud van twee zevende gedeelten van dat pensioensbedrag.

Eenzelfde persoon geniet te zamen niet meer dan f 4000 per jaar aan pensioen volgens deze wet, of, komt hem een pensioen als gewezen minister toe, niet meer dan f 6000 per jaar (maximum-pensioen). Het pensioen van hem, die volgens deze wet recht heeft op pensioen en die tevens geniet een pensioen op grond van artikel 89 der Grondwet, of van een andere regeling, ten laste van den Staat een provincie, een gemeente, een waterschap, veenschap of veenpolder, of ten laste van een hier te lande door het openbaar gezag ingesteld fonds, wordt beperkt, tot zoodanig bedrag, dat het totaal zijner pensioenen niet meer bedraagt dan f 4000 of, komt hem een pensioen als gewezen Minister toe, niet meer dan f6000.

Artikel 56.

1. Pensioen wordt eerst verleend, wanneer het ambtelijk dienstverband geheel heeft opgehouden,

2. De ambtenaar echter, die tegelijkertijd meer dan ééne betrekking bekleedt en uit eene of meer van die betrekkingen wordt ontslagen met aanspraak op pensioen, terwijl hif de andere blijft vervullen, is bevoegd — mits de daartoe strek-

Sluiten