Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 59.

Vgl. wetsontwerp I, ar 1. Voor hem, die op grond van opheffing van zijn betrekke1 62- king of een nieuwe organisatie van zijn dienstvak, recht heeft op pensioen en op wachtgeld, wordt het pensioen tijdens den duur van het wachtgeld verminderd met het bedrag daarvan.

2. Verkrijgt hij wien een pensioen is toegekend als bedoeld in artikel 43, tweede lid, met een dag na dien van ingang van het pensioen een nieuwe betrekking die uitzicht geeft op pensioen volgens deze wet, dan wordt het pensioen verminderd met het bedrag van den grondslag in die betrekking.

Artikel 60.

1. Met afwijking van het bepaalde in de vorige artikelen bedraagt het pensioen van een gewezen Minister' voor ieder dienstjaar als zoodanig '/l2 van den in dat ambt verkregen grondslag.

2. Heeft hij, die als Minister wordt gepensionneerd, vroeger diensten in andere betrekkingen vervuld die voor het pensioen in die betrekkingen medetellen en niet reeds met pensioen zijn vergolden, dan wordt zijn Ministerspensioen verhoogd met een bedrag wegens die diensten. Dit bedrag wordt gesteld op dat, hetwelk hem als pensioen zou zijn toegekomen, indien hij bij het verlaten van de laatste van zijn vroegere betrekkingen recht had gehad op invaliditeitspensioen, met dien verstande, dat voor zoover de vroegere dienst is bewezen vóór het tijdstip van in werking treden dezer wet, de berekening van vorenbedoelde verhooging plaats heeft overeenkomstig het bepaalde bij artikel 128, of — wanneer uitsluitend diensten werden bewezen, als genoemd in artikel 51, sub a—cZ, overeenkomstig de pensioenbepalingen op die diensten betrekking hebbende op het tijdstip van aftreden als Minister, doch met ver waar loozing van den eisch, dat een minimum-diensttijd moet zijn vervuld.

3. Een pensioen van een gewezen Minister overschrijdt, ook na de verhooging van het vorige lid, niet een bedrag van f 6000.

4. Wordt een gewezen Minister opnieuw Minister, dan wordt tijdens den duur van zijn Ministerschap het hem bij zijn ontslag uit dat ambt toegekende pensioen ingehouden.

Artikel 61.

Vgl. wetsontwerp I, ar- 1- Indien eenig feit aanleiding geeft tot het toekennen aan tikel 65. denzelfden persoon zoowel van een uitkeering krachtens de

Ongevallenwet 1901 of een andere wet inzake sociale verzekering, als van pensioen ten laste van het fonds, wordt over den tijd gedurende welken beide gelijktijdig zouden worden genoten, het bedrag der uitkeering in mindering gebracht van het pensioen.

2. Indien aan denzelfden persoon zoowel een ouderdomsuitkeering ten laste van den Staat toekomt als een pensioen ten laste van het fonds, wordt over den tijd gedurende welken beide gelijktijdig zouden worden genoten, het bedrag der uitkeering in mindering gebracht van het pensioen.

Artt. 62—84 conform de artt. 67—89 Wetsontwerp t

Artikel 85.

Lid 1: conform artikel 90 van Wetsontwerp I.

Lid 2: het woord „grondslagen" in artikel 90 2de lid van Wetsontwerp I te veranderen in „wedden".

Lid 3 en 4 conform lid 3 en 4 van artikel 90 van Wetsontwerp I.

Artt. 86—120. Conform de artt. 91—125 van Wetsontwerp I.

De artikelen 121—126 'vervangen de artikelen 126—131 van Wetsontwerp I.

Artikel 121.

1. De diensten vóór het tijdstip van in werking treden dezer wet bewezen, tot welker inkoop de bepalingen der op dat tijdstip vervallende pensioenwetten de betrokken ambtenaren verplichten, worden met pensioen vergolden.

Sluiten