Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wet in dienst zijnde of daarna herplaatst wordende leeraren op dat tijdstip reeds gedeeltelijk op den voet dier bepaling ingekochte diensten, met dien verstande, dat in het tweede lid van art. 32 voor: „wanneer hij ontvangt", wordt gelezen: „uit het bij art. 1 der Pensioenwet 19 .. ingestelde fonds" en voor: „in eene betrekking van leeraar of in eene burgerlijke betrekking", „als ambtenaar in den zin der Pensioenwet 19 ..";

c. de artt. 32, derde lid, 41, 42 én 43 ten opzichte van de bijdragen voor inkoop voor pensioen van de op het tijdstip van het in werking treden van deze wet reeds gedeeltelijk op den voet dier bepalingen ingekochte diensten, met dien verstande, dat in het derde lid van art. 32 voor: „van het

in art. 50 fonds" wordt gelezen: „van het bij art. 1 der

Pensioenwet 19 . . ingestelde fonds", en voor: „van het Rijk .. . gemeente", „van een openbaar lichaam";

IV. Van de wet tot regeling van het lager onderwijs.

het vierde lid van art. 74, met dien verstande, dat daarin voor artikel 60, eerste lid", wordt gelezen: „art. ö9bis, tweede en derde lid";

V. Van de Weduwenwet voor de ambtenaren 1890.

a. de op de pensioenberekening betrekking hebbende artikelen, de artt. 8 en 12 en art. 13, eerste, tweede, derde en vierde lid, voor de weduwen en weezen der oud-burgerlijke ambtenaren, die gebruik hebben gemaakt van de bij art. 10, vierde lid, a of b, van eerstgenoemde wet verleende bevoegdheid;

b. art. 10, vierde lid, b en negende lid. voor de oud-ambtenaren, die van de lit. b van het vierde lid van dat artikel geboden gelegenheid gebruik hebben gemaakt. Voor dezen vervalt de verplichting tot bijdragen bij herplaatsing als ambtenaar;

c. Artikel 23; met dien verstande, dat in het eerste lid voor „De vorenstaande bepalingen" wordt gelezen: „De op het weduwen- en weezenpensioen betrekking hebbende bepalingen der Pensioenwet 19 . . " en dat uit de vierde zinsnede van dit lid vervallen de woorden: „en in dat van de opzichters van den "Waterstaat". De laatste zinsnede van dit lid vervalt.

In het tweede en in het derde lid wordt voor „weduwenen weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren" gelezen: „bij art. 1 der Pensioenwet 19 ingestelde fonds".

De laatste zin van het derde lid vervalt.

d. Artikel 24.

Aan dit artikel worden toegevoegd twee nieuwe leden, luidende, ais volgt:

De pensioenen van de weduwen en weezen der opzichters en oud-opzichters van den Rijkswaterstaat bedoeld in art. 4, der wet van 3 Juni 1918 (Staatsblad n°. 329), worden geregeld volgens de in het tweede lid bedoelde bepalingen.

De in het vorig lid bedoelde opzichters en oud-opzichters dragen aan het bij art. 1 der Pensioenwet 19 . . ingestelde fonds bij op den voet, waarop zij aan het weduwen pensioenfonds van de opzichters van den Waterstaat zouden contribueeren, indien dit fonds niet ware opgeheven.

e. Artikel 25, eerste lid, met dien verstande, dat daarin voor: „bij of na, wordt gelezen: „voor bij of na", voor „dezer wet", „der Pensioenwet 19 . .", voor „verlaten", „verlaten hebben of verlaten", voor „treden", „zijn overgegaan of overgaan", voor „de artikelen 5 en volgende dezer wet", „de Pensioenwet 19 . .", voor .„zouden geven," „zou geven" en voor „het weduwen- en weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren", „het bij art. 1 der Pensioenwet 19 . . ingestelde fonds".

De overige leden van dat artikel vervallen.

VI. Van de Wetten tot wijziging van de Weduwenwet voor de ambtenaren 1890:

van de wet van 29 Juni 1899 (Staatsblad n°. 149) art. 3;

van de wet van 1 December 1917 (Staatsblad n°. 671) de artt. III en VI.

Sluiten