Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VII Van de Weduwenwet voor de onderwijzers 1905:

a. de op de pensioensberekening betrekking hebbende artikelen, de artt. 9 en 16 en art. 17, met uitzondering van het laatste lid, voor de weduwen en weezen der oud-onderwijzers die gebruik hebben gemaakt van de bevoegdheid, verleend bij art. 12, eerste lid, a of b en art. 13, eerste lid, juncto art. 12 van eerstgenoemde wet, met dien verstande, dat in het eerste lid van art, 13 voor: „art. 60, eerste lid der wet tot regeling van hot lager onderwijs", wordt gelezen: „art. 4, eerste lid b, der Pensioenwet 19 . .".

b. art. 12, eerste lid, b en vijfde lid en art. 13, eerste en derde lid, voor de oud-ondorwijzers die van de bij litt. b van het eerste lid van eerstgenoemd artikel en art. 13, eerste lid, j°. art. 12, eerste lid, b, verleende bevoegdheid gebruik hebben gemaakt. Voor deze oud-onderwijzers vervalt de verplichting tot bijdragen wanneer zij als ambtenaar worden herplaatst.

VIII. Van de Weduwenwet voor de gemeenteambtenaren 1913:

a. de op de pensioensberekening betrekking hebbende artikelen eh de artt. 12, 15 en 20 voor de weduwen en weezen der oud-gemeente ambtenaren die gebruik hebben gemaakt van de bij art. 3 van eerstgenoemde wet verleende bevoegdheid:

b. de artt. 27, tweede lid, en 37, derde, vierde en vijfde lid, voor de oud-gemeente-ambtenaren, die van bedoelde bevoegdheid gebruik hebben gemaakt. Voor deze oud-gemeenteambtenaren vervalt de verplichting tot bijdragen wanneer zij als ambtenaar worden herplaatst.

In het vierde lid van art. 37 wordt voor „Onze Minister van Financiën" gelezen: „De Pensioenraad" en voor het „Departement van Financiën", „den Raad".

In het vijfde lid wordt voor: „Onze genoemde Minister" gelezen: „De Pensioenraad".

IX, § 2, art. 18 der wet van 5 Juli 1910, (Staatsblad n". 181) en art. 24 der wet van 1 Mei 1917 (Staatsblad n°. 358), met dien verstande, dat het bedrag van het wachtgeld voor zoover het na het in werking treden van deze wet werd genoten als pensioensgrondslag wordt aangemerkt.

X. de wet van 23 Mei 1917 (Staatsblad n°. 426), met dien verstande, dat in het eerste lid van art. 4 dier wet voor „weduwen- en weezenfonds voor burgerlijke ambtenaren" wordt gelezen: „bij art. 1 der Pensioenwet 19 ingestelde fonds", dat van het eerste lid van art. 5 dier wet vervallen de derde dn vierde zinsnede en dat uit het tweede lid vervalt: „18, 9de lid, 19, 20 en 22", in dit lid wordt achter het woord:

Weduwenwet" ingevoegd: „zoomede titel VII, hoofdstuk III én de titels IX tot en met XII der Pensioenwet 19 ".

Aan genoemd art. 5 wordt een nieuw lid toegevoegd luidende als volgt:

„3. De aanvragen om pensioenen en de voor de regeling van het pensioen benoodigde stukken, benevens die, welke voor de inning van het pensioen moeten worden overgelegd, zijn vrij van zegelrecht."

Artikel 150.

In het eerste lid van art. 2 der wet van 9 April 1897 (Staatsblad n°. 85) wordt voor „letter c van het thans nader" vastgestelde art. 9 der wet van den 9den Mei 1890 (Staatsblad n°. 78)" gelézen: „art. 14e der Burgerlijke Pensioenwet"; en wordt tusschen „oorspronkelijk" en „luidde" ingevoegd: „als art. 9 lit. c".

In het eerste lid van art. 4 der bij de wet van 6 Juni 1900 (Staatsblad n°. 103) gewijzigde wet van 28 Juni 1898 (Staatsblad n°. 152) wordt voor „artikel 9a" gelezen „art. 14a" en en voor „art. 9bis", „art. 15".

In het eerste lid van art. 5 dier wet wordt voor artikel 9 bis" gelezen: „art. 15". Van dit lid vervalt de laatste zin.

In het vijfde lid van art. VI der wet van 21 Juni 1913 (Staatsblad n°. 303), gewijzigd bij de wet van 26 Maart 1917

Sluiten