Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doeld, doek men constateerde toen, dat de daartoe benoodigde gegevens geheel ontbraken. Wat een vroegere' pensionneerring aangaat, meent spreker, dat dit mede een belang van den Staat betreft. Bij de meeste menschen toch, die den 60jarigen leeftijd gepasseerd zijn, is eene vermindering van werkkracht te constateeren.

De Voorzitter wijst er op, dat juist door verschillende menschen op hoogeren leeftijd kranige prestaties worden geleverd, in welk verband spreker wijst op het feit, dat bijv. volgens art. 93 der Hooger Onderwijswet aan een hoogleeraar ontslag wordt verleend met het einde van het studiejaar, waarin hij den ouderdom van 70 jaren bereikt.

De heer van Schouwen is van meening, dat, indien de ambtenaren accoord gingen met de bezwaren tegen de vervroeging der leeftijdsgrens, zooals die door den voorzitter en den heer Trip naar voren zijn gebracht, in de pensioenvereeniging daaraan zeer zeker uiting zou zijn gegeven.

De' heer Poppe gelooft dat de toestanden zijn veranderd, vroeger toch werd een ambtenaar veelal niet eerder bevorderd, voordat een hooger geplaatste den dienst verliet, tegenwoordig bestaat z.i. de drang der jongeren om de ouderen te verdringen niet meer in die mate.

De heer Mulder doet opmerken, dat ongetwijfeld becijferingen noodig zijn, de regeering'moet de finantieele consequenties weten, wanneer ingrijpende voorstellen worden gedaan. Deze berekeningen zijn slechts nauwkeurig te maken door de ambtenaren van het pensioenfonds en spreker verklaart te weten, dat in verband met de, thans zoo drukke werkzaamheden van dat college, daartoe voorloopig geene gelegenheid zal bestaan, te meer waar zoo'n berekening zeer veel tijd zal kosten.

De Voorzitter deelt dan mede, dat besloten werd om geene mededeelingen over de werkzaamheden en eventueele besluiten der commissie te verstrekken, doch hij kan aan de afgevaardigden verzekeren, dat de verschillende argumenten zullen worden overwogen. Spreker stelt dan voor, over te gaan tot de wenschen der pensioenvereeniging in -zake de weduwenwet voor de ambtenaren 1890.

De heer van Schouwen wijst er op, dat ook voor deze wet door zijne vereeniging wenschen zijn geformuleerd,-waarvan de inwilliging geld zal kosten; volgens sprekers opvatting zullen deze kosten niet ten last© van het fonds, doch ten laste van den . Staat behooren te komen, temeer, waar verschillende categorieën van ambtenaren opgenomen zijn, waarvoor niet afzonderlijk werd betaald.

De V oorzitter doet opmerken, dat dit slechts met de categorie der zg. kantonniers van den Waterstaat het geval is geweest, terwijl spreker er speciaal de aandacht op vestigt, dat de, indertijd gedoteerde, millioenen niet als eigendom der ambtenaren mogen worden beschouwd, de Staat is juridisch de eig*enaar van die kapitalen.

De heer Mulder wijst er op, dat het grondkapitaal bijeen werd gebracht door de oudere burgerlijke ambtenaren welke nagenoeg alle den dienst hebben verlaten; aan dit grondkapitaal hebben de tegenwoordige ambtenaren niet bijgedragen. Toen de onderwijzers werden opgenomen, is daarvoor eveneens betaald, terwijl hunne bijdragen thans een ruim voordeel voor het fonds opleveren.

De heer Trip doet opmerken, dat, waar de Staat indertijd de kapitalen aan het weduwen- en weezenfonds heeft gegeven, hij z.i. thans ook desgewild andere categorieën van ambtenaren kan doen opnemen. 'fin

De beer van Schouwen licht vervolgens punt 3 der wenschen nader toe; het zal worden overwogen. Ter toelichting van punt 4 zegt spreker, dat, al wil hij gaarne in waarde laten, hetgeen werd opgemerkt over de bepaling van artikel 4 lid 1, z.i. in ieder geval wijziging behoort te worden gebracht voor het geval de weduwnaar nog jonge kinderen heeft. Voor vele. ambtenaren, die geen geld hebben om een goede huishoudster, opvoedster der kinderen, te betalen, is een tweede

Sluiten