Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vervolgens bespreekt de Vooezittee bet bepaalde in artikel 7 sub 2 van de „pensioenwet Gr. A. 13", waarin de mogelijkheid is geopend, dat aan een ambtenaar, die niet op eigen verzoek, b.v. wegens wangedrag,' wordt ontslagen, ' eene toelage uit het fonds kan worden verleend. Spreker wijst er op, dat deze bepaling niet van toepassing is op hem die niet op eigen verzoek eervol, wordt ontslagen, welk geval zich bij de agenten van politie ongetwijfeld voordoet. In zoo'n geval heeft de belanghebbende dus geene uitkeering te verwachten, terwijl hij, die zóódanig is ontslagen, hierop toch meer aanspraken behoort te hebben dan hij, die zich aan wangedrag heeft schuldig gemaakt.

De beer van Putten meent, dat de pensioenwetgeving voor de politie nauw samenhangt met de regeling der rechtspositie dezer ambtenaren. Het is te Amersfoort voorgekomen, dat een agent van politie, wien iets was ten laste gelegd, doch waarvan noch het wettig, noch het overtuigend bewijs werd geleverd, niettemin, met een blanco strafregister werd ontslagen. Spreker weet, dat in de laatste 4 jaren 10 agenten van politie, die wegens ongemotiveerd ontslag aan den dijk waren gezet, zich tot het ondersteuningsfonds hebben moeten wenden. Door de onvoldoende regeling hunner rechtspositie staat hooger beroep niet open, gaat de aanspraak op pensioen verloren en worden de reeds gestorte pensioensbijdragen bun niet gerestitueerd.

De heer Koent, de wenschen van den Bond nader besprekende, wijst er op, dat, wanneer militairen 6 jaren in Indië hun plicht hebben gedaan, aan hen het onderscheid dingsteeken voor 12 jaren trouwen dienst wordt uitgereikt, wanneer dus blijkt, dat deze jaren wel degelijk dubbel worden gerekend, betgeen ook geschiedt bij de Militaire Pensioenwetgeving; die jaren worden dus dubbel geteld, doch wanneer zij in aanmerking komen bij de berekening van het pensioen als burgerlijk of als gemeenteambtenaar is dit niet het geval, betgeen spreker onlogisch voorkomt.

Als achtste wensch van zijn bond, bepleit de heer Koent de wenschelij kheid om opnieuw de gelegenheid te geven aan de gemeenteambtenaren om, op dezelfde voorwaarden als vroeger, tot het pensioenfonds toe te treden. Velen hunner zijn langzamerhand tot de overtuiging gekomen, dat zij onverstandig hebben gehandeld, toen zij ' de verklaring bedoeld in art, 61 der „pensioenwet G. A. '13" hebben afgelegd. Spreker en de heer van Putten wijzen er op, dat zich dit speciaal veelvuldig heeft voorgedaan bij de agenten van politie te Eotterda'm, welke ambtenaren voor den tijd van één jaar werden benoemd en daarna telkens voor één jaar werden g-eccntinueerd; zij gingen niet over in het Rijkspensioenfonds, omdat zij absoluut geene zekerheid hadden, dat zij in dienst zouden worden'gehouden, te meer, waar zij drie maanden vóór den afloop van het jaar konden worden gewaarschuwd, dat continatie niet zou plaats hebben. Thans is deze regeling verbeterd en zouden velen gaarne alsnog toetreden.

Ten slotte wil de heer Koent er alsnog de aandacht deicommissie op vestigen, dat de gunstige bepalingen, in artikel 71 der „Pensioenwet G. A. '13" vervat, in de praktijk doorvele gemeentebesturen zoodanig worden uitgelegd, dat de gemeenten daarvan profiteeren en niet de belanghebbenden.

Het bestuur van den bond heeft nader verklaard, met deze notulen accoord te gaan.

Voorzitter,

Sluiten