Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

^VERGADERING

van de Subcommissie, gevormd uit de Staatscommissie, inzake het burgerlijke, pensioenwezen, op Zaterdag 12 Januari 1918, 's morgens om 10-i uur, in het gebouw yan het Departement Tan Justitie.

Aanwezig zijn alle leden, uitgezonderd met -kennisgeving de Voorzitter. De heer Mulder neemt diens plaats in.

Tot het mondeling toelichten hunner schriftelijke wenschen inzake het pensioenwezen zijn uitgenoodigd de leeraren aan het Koninklijk Conservatorium voor Muziek te 's Gravenhage. Verschenen zijn de heeren van Ling, Spoel en Testor.

; De Voorzitter der Commissie deelt mede, dat door de Staatscommissie reeds eene correspondentie is gevoerd met den Minister van Staat, Minister van Binnenlandsche Zaken, ten einde zoo spoedig mogelijk eene regeling te verkrijgen^ waarbij de vaste toelage, welke door het Conservatorium wordt genoten, in eene wedde voor de leeraren wordt omgezet; antwoord hierop heeft de Commissie nog niet mogen, ontvangen.

De heer van Lingen vêstigt er de aandacht op, dat de Commissie van Toezicht op bet Conservatorium zich reeds 5 jaren geleden wendde tot den toenmaligen Minister van Binnenlandsche Zaken, den heer Heemskerk, ten einde te ver-krijgen, dat de leerarenin het Rijkspensioenfonds werden opgenomen, welke bewindsman toen geene bezwaren opperde en zich in verbinding stelde met den toenmaligen Minister van Financiën;' bet rapport betreffende deze kwestie is aan het Departement van Financiën blijven liggen. Spreker heeft vernomen, dat een bezwaar tegen eene opname der leeraren m het fonds zou zijn gelegen in den inkpop der vroeger bewezen diensten, doch'spreker kan mededeelen, dat de Commissie van Toezicht bereid is, om het bestaande pensioenfonds -grootendeels voor dien inkoop te gebruiken. Voorts wijst spreker er op,, dat de leeraren, al ontvangen zij hunne wedde niet rechtstreeks van het Rijk, door den Minister van Binnenlandsche Zaken worden aangesteld. Spreker beroept zich voorts op het feit, dat het Conservatorium werd opgericht door Koning Willem I, die bepaalde, dat eene subsidie zou worden gegeven ter bestrijding der kosten van. tractementen enz.; spreker meent dat zoo'n besluit van een souvereinen vorst de kracht van eene wet heeft en dat de leeraren dus als burgerlijke ambtenaren beschouwd mogen worden.

De heer Mulder doet opmerken, dat inderdaad het pensioenfonds bij opname van nieuwe groepen prijs stelt op eene storting, met het oog op de billijkheid tegenover anderen. Hoewel dit bezwaar dus ondervangen schijnt, wijst spreker ér op, dat die te betalen bedragen gewoonlijk niet gering zijn, omdat deze o. a. afhankelijk zijn van den leeftijd der belanghebbenden en van dien hunner weduwen.

Sluiten