Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De volgende punten komen dan nog ter sprake: 1°. het komt voor, dat aan bepaalde personen twee titels zijn gegeven, waarvan één wèl en één niet valt onder die, welke recht geven op pensioen op 55 jaar. In de practijk wordt hun dat recht dus niet toegekend. Dat misbruik moet worden ondervangen.

In verband met deze wenschen omtrent den 55-jarigen leeftijd zegt de heer Wessklingh dat het geheele onderscheid moet vervallen. Althans zij die met hun handen werken (en allicht ook sommige andere groepen) moeten allen met 55 jaar pensioen kunnen krijgen, willen zij nog iets aan hun laatste levensjaren hebben. Men vergetè ook niet, dat de Pensioenwet 1913 den toestand voor velen moeilijker heeft gemaakt. In Amsterdam bestond b.v. voor politie ,en brandweer de bepaling, dat men bij pensioen 10 jaar bijgeteld kreeg. De vraag rees onlangs, of dat ook moest geschieden voor wagenbestuurders bij de tram. Directeur en Wethouders achtten het in het wezen billijk, maar meenden het niet te mogen voorstellen nu de wet de geheele pensioenregeling bevat. Maar de regeling van de wet is niet billijk, speciaal ten aanzien van hen die, zooals de werklieden, vroeg oud zijn;

2°. vrijstelling van premiebetaling. Van de tegenwoordige salarissen kan feitelijk geen premiebetaling af. Die loonen zijn bovendien laag gehouden, ö.a. omdat men zeide: daarnaast hebt gij recht op pensioen en dgl. Maar dan laat men voor dat recht weer betalen! Aldus betaalt men tweemaal, eens direct en eens indirect. Men vergete ook niet dat de wet verschillende personen heeft achteruitgesteld, van wie de gemeentelijke pensioenregeling vroeger geen premie hief. In principe is overigens de zaak al beslist, doordat de wet niet de geheele premie laat betalen door de ambtenaren. Mag men een deel laten ten laste der gemeente, dan mag zulks ook met het geheel.

Als er echter onverhoopt geen premievrij pensioen mocht komen, dan wenscht men in elk geval:

<i vrijstelling van een bedrag voor noodzakelijk levensonderhoud, b.v. van f 600, f 800 of f 1000;

6. een progressieve premie over het resteerend, naar de grootte van het inkomen.

Toegegeven wordt, dat dan de hoogstbezoldigden in belangrijke mate voor de anderen zullen, moeten betalen, tenzij men de meerdere lasten op het publiek gezag zou afwentelen. Men bedenke echter dat vele gemeenten vroeger een dergelijk stelsel van aftrek van een bepaald deel van het inkomen, en een degressieve schaal hadden. Tal van ambtenaren in die gemeenten zijn thans achteruitgegaan;

c. meer uniformiteit in hetgeen de onderscheidene gemeenten op haar ambtenaren verhalen;

3°. artikel 34 lid 4 der wet 1913. Dit is onbillijk. Vrijwel het geheele pensioen komt aldus ten laste van de inrichting waar de gepensionneerde wordt verpleegd, ook als hij een gezin heeft te onderhouden;

4°. het te lage bedrag van het immdiMteiUpe^wen. Soms komt de ongevallenverzekering tegemoet. Maar beter is, dat het pensioen hooger wordt;

5°. beroepsziekten. Bijna nooit wordt op grond van beroepsziekte het volle pensioen gegeven, wat wordt aangetoond aan de hapd van cijfers. B.v. een wagenbestuurder van de tram, die zenuwziek wordt, krijgt niet een pensioen van *jt, ™»ar wordt b.v. conducteur en gaat aldus in wedde achteruit; 6°. het geval van ontslag, ook op eigen verzoek, zonder echt op pensioen, b.v. omdat men nog geen 10 dienstjaren heeft. Men krijgt dan ook niet 'zijn premie terug. Men moest in zulk een geval mogen blijven doorstorten, en uitzicht behouden op uitgesteld pensioen, zooals dat b.v. voor de weduwenpensioenen het geval is. Waarschijnlijk heeft men gezegd: na ontslag is iedere band met de gemeente verbroken en komt dan geen pensioen meer te pas. Maar dat is niet

Sluiten