Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wVERGADERING

Tan de Subcommissie, gevormd uit de Staatscommissie, inzake het burgerlijke pensioenwezen, op Zaterdag 12 Januari 1918, 's middags om 2 uur, in het gebouw Tan het Departement Tan Justitie.

Aanwezig- zijn. alle leden, uitgezonderd met kennisgeving de Voorzitter en de heer van Taack Tra Kranen.

Tot het mondeling toelichten van hare schriftelijke wenschen inzake het pensioenwezen is uitgenoodigd de Rotterdamsche gemeentelijke straatmakersvereeniging „Plicht naast recht".

De Voorzitter, de heer Schoonderwoerd, spreekt een woord van dank voor de oproeping en zegt, dat zijne organisatie thans heet: „Algemeene Nederlandsche Straatmakersbond". Hij zal kort de verschillende punten vermelden.

In de eerste plaats bestaat de grief, dat de gemeenten de betaling der premies niet op zich nemen. De straatmakers bij de gemeente hebben vaak lage loonen, dikwijls de helft minder dan bij particulieren. Wijst men daarop, dan heet het: „gij hebt andere voordeelen, met name pensioen". En men laat dat pensioen toch weer door de menschen zelve betalen, door inkoop, bij overgang naar andere gemeenten.

Voorts betoogt spreker, dat het zeer juist is, dat men voor de straatmakers een lagen leeftijd (55 jaar) stelt, waarop zij recht op pensioen hebben. Zelfs zou men hen gerust mogen verplichten om op 55-jarigen leeftijd ontslag te nemen, hetgeen thans niet altijd gebeurt, feitelijk tegen het welbegrepen eigenbelang in. Voor de groepen als de straatmakers en dergelijke zou het vervallen van de bepaling over de 55 jaren een ramp beteekenen. Spreker is niet geheel gerust, na het lezen van het verslag der bespreking met de Pensioenvereeniging. Feitelijk is die 55 jaar nog te hoog gesteld, de meesten zijn dan reeds overleden, gelijk blijkt uit de officieele cijfers van Rotterdam. Het werk is zeer zwaar en wordt onder ongunstige omstandigheden verricht, vooral hier te lande is het vaak afmattende arbeid. Terwijl men b.v. te Rotterdam 60 a 80 M2. per dag bestraat, is het Duitsche cijfer niet hooger dan 25 a 30 M2. Men is daardoor vroeg oud en zou feitelijk op een betrekkelijk jeugdigen leeftijd recht moeten hebben op pensioen, dat dan niet zoo heel veel beneden het vroegere loon moest blijven, wil men daarvan behoorlijk kunnen leven. Thans is het pensioen veel te laag, mede, doordat het loon der straatmakers op rijperen leeftijd vaak wordt verlaagd. Spreker wijst er op, dat de jaren vóór het 18e niet meetellen, zoodat men nooit 40 dienstjaren kan behalen, waarbij nog komt, dat vele straatmakers eerst eenige jaren als los hulpstraatmaker (helper) of in dienst van een particulier, een aannemer, zijn geweest.

Sluiten