Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ivVERGADERING

Tan de Subcommissie, gevormd uit de Staatscommissie, inzake het burgerlijke pensioenwezen, op Zaterdag 12 Januari 1918, 's middags om 2A uur, in het gebouw van het Departement van Justitie.

Aanwezig zijn alle leden, uitgezonderd met kennisgeving de Voorzitter en de heer vast Taack Tra Kanen.

Tot het mondeling toelichten van hare schriftelijke wenschen inzake het pensioenwezen is uitgenoodigd de „Broederschap der commiezen bij de posterijen". Verschenen zijn de heeren Brandon Bravo en Lefèvre tot toelichting van den wensch, dat de commiezen, dié indertijd geen gebruik hebben gemaakt van de hun bij de wet van 9 April 1897 (Staatsblad n°. 85) geboden gelegenheid om vroegere surnumerairsdiensten in te koopen, daartoe alsnog in de gelegenheid worden gesteld.

Er wordt op gewezen, dat tal van commiezen, naar schatting althans 55 a 60, in dat geval verkeeren. Toegegeven moet worden, dat zij de indertijd geopende gelegenheid hebben verzuimd, welk verzuim echter begrijpelijk is; men verdiende weinig en was jong en had dus weinig gevoel voor het pensioen. Thans echter voelen velen den druk van die niet ingekochte jaren, hoewel niet allen. Voor ben, die toch reeds 40 dienstjaren kunnen aanwijzen, is het uiteraard geen voor- of nadeel, waardoor ook de zaak voor den Staat niet duur zal zijn. Er zouden betrekkelijk niet zoo heel veel ambtenaren van profiteeren.

Nadat er nog op gewezen is, dat de nieuwe openstelling als antecedent wel bezwaarlijk zal zijn (men denke bijv. aan hen, die indertijd hebben bedankt voor het weduwenfonds en daarvan nu spijt hebben) en nadat is gevraagd of men bereid zou zijn de volle tegenwaarde voor die vroegere jaren te betalen en niet slechts de premie, die men vroeger had moeten storten en die te laag is om de kosten te dekken, welke vraag bevestigend wordt beantwoord, wordt de bespreking beëindigd.

De gehoorde afgevaardigden hebben later verklaard met deze notulen accoord te gaan.

De Voorzitter,

Sluiten