Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

^VERGADERING

van de Subcommissie, gevormd uit de Staatscommissie, inzake het burgerlijke pensioenwezen, op Zaterdag 19 Januari 1918, 's morgens om 11£ uur, in bet gebouw der Pensioenraden.

Aanwezig- zijn alle leden, uitgezonderd met kennisgeving dr. Tuhksma.

Tot het mondeling toelichten zijner schriftelijke wenschen inzake het pensioenwezen is uitgenoodigd de heer A. D. Muller, hoofdinspecteur van de Scheepvaart, die er allereerst op wijst, dat de Scheepvaartinspectie nog slechts een klein lichaam vormt, waardoor nog geene vereeniging uit de, daarbij werkzaam zijnde, ambtenaren werd gevormd, zoodat aan spreker werd verzocht, de belangen t. o. van het pensioenwezen te willen bepleiten.

In de eerste plaats zou men gaarne zien, dat de mogelijkheid werd geopend tot inkoopVan eenige jaren voor pensioen; de ambtenaren bij de scheepvaartinspectie komen op lateren leeftijd daarbij in dienst, hetgeen noodzakelijk is, omdat daarvoor ervaring in het bedrijf noodig is;; de verschillende experten en. ambtenaren moeten te voren officieren van de koopvaardij geweest zijn, menschen, ervaren in het vak met bezonken opvattingen. Zoodoende zijn de ambtenaren gewoonlijk tusschen de 30 en 40 jaar oud, wanneer zij in dienst treden. Spreker gelooft, dat het moeilijk zijn zal die jaren, bij de koopvaardij doorgebracht, als zij delingschen dienst te beschouwen en zou daarom de mogelijkheid willen geopend zien, om die jaren op de eene of andere wijze voor pensioen te kunnen inkoopen, hetgeen ook rationeel voorkomt, omdat de Staat profiteert van de, vroeger opgedane, ervaring dier ambtenaren. Het doel van het verzoek is uitsluitend, te bevorderen, dat genoemde ambtenaren in de gelegenheid zullen komen, om maximum pensioen te verwerven en spreker heeft hiertoe een middel willen aangeven.

Gaarne erkent spreker, dat eene tweede mogelijkheid om hetzelfde doel te bereiken zou gevonden kunnen worden in eene verhooging van het percentage, bedoeld in art. 7 der Burgerlijke Pensioenwet hoewel die oplossing hem minder voor de hand liggend toeschijnt. SjPireker wil er voorts de. aandacht op vestigen, dat de vereischte leeftijd van 65 jaar voor de ambtenaren bij de scheepvaartinspectie te hoog moet worden geacht. De taak dezer ambtenaren is zeer bezwaard door de lichamelijke prestaties, er moet geklauterd, geklommen, gedoken worden in ketels, tanks, gangen, enz. Het lichaam ondergaat daardoor natuurlijk eene belangrijke slijtage. Bovendien is het corps ambtenaren zeer klein en moet eene groote vloot geïnspecteerd worden. Spreker wijst er op, dat te Amsterdam 2, te Rotterdam 4 ambtenaren werkzaam zijn gesteld (in de laatste plaats voor alle schepen in de Zuid-

Sluiten