Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

/^VERGADERING

van de Subcommissie, gevormd uit de Staatscommissie, inzake het burgerlijke pensioenwezen, op Zaterdag 19 Januari 1918, 's middags om 2 uur, in het gebouw der Pensioenraden.

Aanwezig zijn alle leden, uitgezonderd met kennisgeving dr. Tubksma.

Tot het mondeling toelichten van de wenschen der Tachygrafen bij de Tweede Kamer is verschenen de heer A. E. Mendell te 's Gravenhage, dip er op wijst, dat de tegenwoordige pensioenregeling der Tachygrafen zeer ongunstig is. Hun werk is er een, dat veel routine qls journalist vereischt en veel algemeene kennis. Daardoor is het onmisbaar, dat men bij indiensttreding reeds geruimen tijd in de practijk is geweest en het gevolg is, dat men laat in dienst komt. Daaruit volgt ^weer dat men, op 55 jaar er uitgaand, slechts weinig dienstjaren kan hebben en daardoor een zeer onvoldoend pensioen. Het gemiddelde aantal jaren voor de tegenwoordige functionarissen zou 17 zijn. Zou men op 60 jaar worden gepensionneerd (en dat is voor dat sloopende werk waarschijnlijk reeds te oud), dan zóuden de tegenwoordig in dienst zijnden hebben: 30, 23, 17, 22, 17 jaar. Het eerste cijfer geeft van het gemiddelde nog een te gunstig beeld; het is toevallig dat één der Tachygrafen betrekkelijk jong (30 jaar) bij den dienst is gekomen. Zelfs zij pensionneering op 65 jaar zou men slechts betrekkelijk weinig dienstjaren halen. Dat ligt in den aard der betrekking zelve, Waar-voor, gelijk gezegd, een jarenlange practisehe leerschool noodig Is.'

Spreker herinnert nog, dat er aanvankelijk geen regeling was, die met de bijzonderheden van het vak rekening hield. Als wedde werd f 2000 gegeven, zonder pensioenaftrek te vergoeden. In 1913 is toen verkregen: f 2500, met 5 tweejaarlijksche verhoogingen van f 100. Voorts de opneming onder hen, die op 55 jaar recht op pensioen hebben. Dat was een vooruitgang, maar niet voldoende. Er wordt nog te weinig rekening gehouden met de late indiensttreding. In 1913 heeft men gevraagd, b.v. iedere 8 maanden dienst voor een jaar te dóen tellen. Dat is echter afgewezen. Dit jaar is men opnieuw bij1 de Kamer gekomen. Het salarisvraagstuk heeft men om de tijdsomstandigheden laten vallen. Alleen het urgente pensioenprobleem is opnieuw aangeroerd. Men heeft het denkbeeld geopperd om b.v. speciale toelagen te geven ten einde een aanvullende pensioenregeling te kunnen sluiten hetgeen anders bij de thans bestaande salarieering, onmogelijk zou. zijn. Sommige Kamerleden hebben toen geraden, een minimum-pensioen te vragen, met verhooging wegens meerdere dienstjaren dan een zeker aantal. Die verschillende wegen zijn in het adres aangevoerd. Maar — spreker constateert dat uitdrukkelijk naar aanleiding van een vraag van den

Sluiten