Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IS VERGADERING

van de Subcommissie, gevormd uit de Staatscommissie, inzake het burgerlijke pensioenwezen, op Zaterdag 19 Januari 1918, 's middags om 2i- uur, in het gebouw der Pensioenraden.

Aanwezig' zijn alle leden, uitgezonderd met kennisgeving

dr. TtJEKSMA.

Tot het mondeling toelichten van de belangen van het personeel der archieven in zake de pensioenwetgeving zijn uitgenoodigd de heeren mr. P. A. N. S. van Meubs en mr. dr. J. C. Oveb.voob.de. Zij bespreken met namevvolgens hun persoonlijk te kennen gegeven verlangen 2 punten:

1°. De gevallen dat ambtenaren jaren vóór hun formeele aanstelling hebben gediend zonder aanstelling of met een . aanstelling van een daartoe onbevoegd gezag. Vooral ook het laatste komt voor. Vroeger werd men veelal aanvankelijk aangesteld door den betrokken Archivaris. Nog in 1904 achtte de Minister van Binnenlandsche Zaken dat correct. Later echter heeft de Pensioenraad verklaard, dat die benoeming niet was gedaan door het bevoegd gezag, zoodat de diensten niet konden medetellen. Met instemming heeft men nu het onlangs - ingediende wetsontwerp gezien dat strekt om dgl. jaren nog te doen medereken en. Spreker hoopt dat het spoedig wet zal worden. De Algemeene Rijksarchivaris heeft er 4 jaar lang op aangedrongen.

De VooBziTTEE vermoedt dat inderdaad de door de sprekers bedoelde 19 archief-ambtenaren door het ontwerp zullen worden geholpen. De Kamer zal het ontwerp wel spoedig afdoen, Mocht men daaraan twijfelen, dan ware een adres aan de Kamer de aangewezen weg.

Wat de ambtenaren bij de gemeentearchieven betreft, waarvan ook in dat geval enkele verkeeren — het bedoelde wetsontwerp helpt hen niet. De wet van 1913 regelt echter te hunnen aanzien uitdrukkelijk het geval, dat er door vóór 1913 aangestelden jaren zijn vervuld zonder formeele aanstelling. Dan kunnen bescheiden uit den tijd der dienstvervulling als bewijs gelden. Voor later aangestelden is bepaald een formeele aanstelling noodig. De gemeenten wisten dat; hebben zij geene aanstelling gegeven dan ligt het vermoeden voor de hand, dat zij'die menschen niet pensioengerechtigd wilden doen zijn. Een wettelijke aanvulling zal voor die groep dan niet zoo gemakkelijk te krijgen zijn.

2°. De bepalingen omtrent het recht op pensioen en het. bedrag daarvan. Verreweg het grootste deel van de Staats-, dienaren (daaronder begrepen die bij leger en vloot en in de/ koloniën) heeft op 55-jarigen leeftijd en eerder recht op pensioen. Alleen eene minderheid, onder wie de archivarissen, heeft eerst recht op pensioen op 65 jaar, tenzij bij invaliditeit, anders dan in Frankrijk b.v.,' waar de leeftijdsgrens 60 jaar is. Spreker meent, dat de ambtenaren daardoor hun geheele leven te veel gebonden zijn en op den duur den lust in het werk kunnen verliezen. Het is niet in het belang van den dienst, hen dan vast te houden door hen bij het nemen van ontslag alle recht op pensioen te doen verliezen. Dat geldt intusschen meer speciaal voor den intellectueelen arbeid, én in het bijzonder voor den arbeid der wetenschappelijke archief ambtenaren. Zij zijn gedurende'de bureau-uren g'eheel door hun ambtenaarswerk ingenomen, zoodat voor eigen wetenschappelijk onderzoek de tijd ontbreekt. Toch wordt dat van hen verwacht en zij wenschen ook niets liever ; zij hebben het materiaal voor de studie steeds vlak bij zich en hunkeren dikwijls naar meer gelegenheid tot bestudeering daarvan, maar de gelegenheid ontbreekt, tenzij zij hun ambtstijd willen besteden voor eigen wetenschappelijk onderzoek ten koste van het hun opgedragen archiefwerk. Daarvoor moet de gelegenheid worden geschapen door het mogelijk

Sluiten