Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

o- VERGADERING

Tan de Subcommissie, gevormd uit de Staatscommissie, inzake het burgerlijke pensioenwezen, op Zaterdag 26 Januari 1918, 's morgens om 11 uur, in het gebouw van het Departement Tan Justitie.

Aanwezig zijn alle leden.

Tot het mondeling toelichten zijner schriftelijke wenschen inzake het pensioenwezen is uitgenoodigd de heer O. Jelsma te Rijswijk, die gaarne zou zien, dat provinciale diensten uit de provinciale begroeting betaald, in aanmerking zullen komen bij de berekening van de pensioenen, wanneer die diensten later door burgerlijke diensten zijn gevolgd. Spreker vindt het vreemd, dat de griffieambtenaren bij de provincie wel, de waterstaatsambtenaren echter geene burgerlijke ambtenaren zijn en wijst er voorts op, dat, indien men eerst bij de gemeente en later bij het Rijk werkzaam is geweest, de gemeentelijke diensten bij de berekening van het pensioen in aanmerking gebracht kunnen worden, terwijl dit, met betrekking tot aan de Provincie bewezen diensten, niet het geval is. Spreker meent, dat bovendien de Provincie een gewichtiger orgaan is dan de Gemeente'en dat de provinciale ambtenaren dus zeker niet bij de gemeenteambtenaren achtergesteld behooren te worden. Vele collega's van spreker, alsook andere provinciale waterstaatsambtenaren, die in hetzelfde geval verkeerén of kunnen komen te verkeeren, hebben aan spreker verzocht, ook uit hun naam op de bestaande onbillijkheid te wijzen.

Nadat de Voobzitteb,, de heer Von Weileb, er op heeft gewezen, dat de griffieambtenaren bij de provincie uit de Staatsinkomsten worden betaald en daarloor burgerlijke ambtenaren zijn en nadat hij den heer Jelsma heeft toegezegd, dat de kwestie door de Staatscommissie in ernstige overweging zal worden genomen, wordt de bijeenkomst gesloten. ,

De gehoorde persoon heeft nader verklaard met deze notulen accoord te gaan.

De Voorzitter,

Sluiten