Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

^VERGADERING

van de Subcommissie, gevormd uit de Staatscommissie, inzake het burgerlijke pensioenwezen, op Vrijdag 1 Februari 1918, 's morgens om 10| uur, in het gebouw der Pensioenraden.

Afwezig- met kennisgeving de heeren Mulder, Trip en Zeilmaker.

Tot het mondeling toelichten zijner schriftelij ké wenschen inzake het pensioenwezen is uitgenoodigd de Bond van Technische Ambtenaren in vasten dienst der gemeente VGravenhage, welke bond door drie bestuursleden is vertegenwoordigd. Opgemerkt wordt door deze heeren, dat de technische ambtenaren veelal verschillende tijdelijke dienstjaren kunnen aanwijzen, die niet "door een vaste aanstelling onmiddellijk zijn gevolgd, men is bijv. eenigen tijd werkzaam geweest als tijdelijk ambtenaar bij den provincialen waterstaat, vervolgens bijv. 1 jaar elders in functie, daarna wederom tijdelijk in provincialen dienst en ten slotte in vasten gemeentedienst. De tijdelijke dienst, die onderbroken is komt nu niet in aanmerking bij de berekening van een eventueel te verleenen pensioen. Zoo zijn ook tijdelijke diensten, bewezen bij den Rijkswaterstaat, al of niet gevolgd door vaste ge'meentelijke diensten, voor de belanghebbenden verloren. Het is daarom, dat requestranten verzoeken het daarheen te willen leiden, dat genoemde tijdelijke dienstjaren,, welke thans niet medetellen voor bet eventueel te verleenen pensioen, alsnog hetzij door inkoop of op welke wijze ook, voor het pensioen kunnen worden medegerekend. Er wordt op gewezen, dat de technici vaak in verschillende dienstbetrekkingen overgaan, om ervaring op te doen en veelal eerst op lateren leeftijd eene vaste aanstelling verwerven, doordat de gemeentebesturen practisch ontwikkelde menschen verlangen. Het is op deze wijze bij de gemeentewerken vrijwel onmogelijk om maximum pensioen te verkrijgen, terwijl het medetellen der genoemde tijdelijke diensten dit bezwaar voor de komende ambtenaren niet zal ondervangen. De Bond zou dus gaarne bepalingen willen zien opgenomen, waardoor na 30 dienstjaren vol pensioen zou kunnen worden verworven. Voorts zag men gaarne bepaald, dat men op 60-jarigen leeftijd den dienst met pensioen zal kunnen verlaten, doch dat men op 65-jarigen leeftijd daartoe kan worden genoodzaakt.

Het bestuur van den Bond heeft later verklaard met deze notulen accoord te gaan.

De Voorzitter,

Sluiten