Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

j\ VERGADERING

van de Subcommissie, gevormd uit de Staatscommissie, inzake het burgerlijke pensioenwezen, op Vrijdag " 1 Februari 1918, 's morgens om llf uur, in het gebouw der Pensioenraden.

Afwezig met kennisgeving de heeren Mulder, Trip en Zeilmaker.

Tot het mondeling toelichten harer schriftelijke wenschen inzake het pensioenwezen is uitgenoodigd de Centrale van vereenigingen van personeel in 's Rijks dienst.

De heer F. Perdok, die centrale vertegenwoordigend, wijst er op, dat door zijne vereeniging het pensioenbegrip op andere grondbeginselen wordt ontwikkeld dan door de pensioenvereeniging.

Zijne vereeniging gaat uit van het standpunt, dat de Regeering een onderhoudsplicht tegenover de ambtenaren op zich moet nemen, die verder moet gaan dan tot dusver is geschied. Deze plicht behoort zich nl. ook uit te strekken tot den toestand, waarin men komt te verkeeren, nadat men ambtenaar is geweest; daaruit vloeit voort, dat een ambtenaar als pensioen niet minder mag ontvangen dan het laatst door hem genoten salaris, omdat de gepensionneerde met z'n gezin niet minder en soms zelfs meer noodig heeft dan toen hij nog in dienst was. De ambtenaar is niet in staat geweest iets over te leggen, heeft een zekeren staat gevoerd en behoort dien te kunnen behouden. Aangezien echter sommige ambtenaren door hunne functie een hoogeren staat moeten voeren vóór dan na hunne pensionneering, acht de Centrale het gewenscht een maximumgrens van f 4000 te stellen.

In de tweede plaats acht de Centrale het noodig, dat de pensioenen premievrij zullen worden verleend; aangezien de Staat een onderhoudsplicht op zich neemt, is de tegenwoordige regeling van premieheffing slechts eene, geld kostende, administratieve maatregel.

Voorts wijst de heer Perdok er op, dat verschillende, door de ambtenaren genoten emolumenten nog niet in de pensioengrondslagen worden opgenomen (b.v. uniformkleeding en vrije geneeskundige behandeling bij ambtenaren der gevangenissen), hetgeen onbillijk voorkomt.

In de vierde plaats dringt de Centrale aan op verlaging van den leeftijdsgrens van 65 jaar, ook het belang van den Staat brengt mede, dat de ambtenaren op 55- of 60-jarigen ouderdom pensioengerechtigd zijn. Daarnaast behoort de gelegenheid te worden gegeven aan enkele groepen van personen om eerder pensioen te verwerven, nl. aan die ambtenaren, die speciaal voor hun arbeid op enkele ledematen zijn 'aangewezen, waarbij zich dan tevens een andere maatstaf voor de pensionneering behoort aan te sluiten.

De beer Perdok bepleit vervolgens afschaffing van den 10-jarigen wachttijd, omdat de onderhoudsplicht van den 'Staat dadeliik bij de indiensttreding aanvangt. Vooral wan-

17

Sluiten