Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V VERGADERING

van de Subcommissie, geTormd uit de Staatscommissie, inzake het burgerlijke pensioenwezen, op Vrijdag 1 Februari 1918, 's middags om 2 uur, in het gebouw der Pensioenraden.

Afwezig met kennisgeving de heeren Mulder, Trip en Zeilmaker.

Tot het mondeling toelichten harer schriftelijke wenschen inzake het pensioenwezen, is uitgenoodigd de Nederlandsche Maatschappij tot behartiging der belangen van vrouwelijke verloskundigen, welke is vertegenwoordigd door de dames de Kadt uit Vlaardingen en Lunet—Helsdingen uit Rotterdam. Zij deelen mede, dat de vroedvrouw uit de gemeentekas dóórgaans geen hooger salaris ontvangt dan f 250 a f 300. In den laatsten tijd wordt het soms pl.m. f 100 meer, maar ook dan nog blijft het gemeentelijk salaris zeer klein. Nu wordt dat aangevuld doordat de betrokkenen ook particuliere practijk hebben, maar met name op het platteland levert dat dikwijls weinig op. Het aantal bevallingen is daar dikwijls betrekkelijk gering en het tarief is laag. Een belangrijk element is hier ook de concurrentie van verschillende doktoren. De totaal-wedde is dan niet zelden zóó gering, dat daarvan geen aanvullende pensioenverzekering af kan. Toch zou dat noodig zijn, waar de gemeentelijke wedde, en dus de grondslag voor het wettelijk pensioen, gelijk gezegd, zqó laag is, dat daardoor geen voldoende pensioen wordt toegekend. En toch eischt niet slechts het belang van de betrokkene, maar ook dat van de patiënten, dat een vroedvrouw niet op te hoogen leeftijd werkzaam blijft. Daarom wenscht de vereeniging dat als grondslag in de gemeentelijke betrekking ten minste een bedrag van f 600 wordt aangenomen. Die wensch heeft in het voorgaande zijn toelichting gevonden.

Het bestuur heeft later verklaard, met deze notulen accoord te gaan.

De Voorzitter,

Sluiten