Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERGADERING

Tan de Subcommissie, gevormd uit de Staatscommissie, inzake het burgerlijke pensioenwezen, op Vrijdag 1 Februari 1918, 's middags om 2i- uur, in het gebouw der Pensioenraden, .

Afwezig met kennisgeving) de heeren Mulder, Trip en Zeilmaker.

Tot het mondeling toelichten der schriftelijke wenschen in zake het pensioenwezen, is uitgenoodigd' de Nederlandsche Bond van Gemeenteambtenaren, welke is vertegenwoordigd door den heer Th. Pels, secretaris van 's Hertogènbosch, die mededeelt, dat Mr. Noorman, te Utrecht, die met hem zou aanwezig zijn, op het laatste oogenblik door ziekte werd verhinderd. Hij licht nu de volgende wenschen van den Bond' toe:

1°. Mede rekenen van gemeentelijke zijdelingsche diensten, evenals met zij delingschen RijksdiesaBÜ het geval is, en voorts openstelling van de mogelijkheid voor gémeenteiambteniaT&a om vroeger bewezen zij delingschen Rijksdienst in te koopen. Het een zoo wel als het ander wordt in de praktijk als zeer wenschelijk gevoeld. Spreker wijst nog? speciaal op het geval van den burgerlijken stand. Tot de wijziging van artikel 149 der Gemeentewet werd de functie formeel waargenomen door een Raadslid, maar op de grootere secretarieën waren daarnaast secretarie-ambtenaren, die uitsluitend met den burgerlijken stand waren belast. Spreker stelt het geval, dat zoo iemand f 1800 salaris had. Na de wijziging van 1905 is in vele gevallen zulk een ambtenaar gemaakt tot ambtenaar van den burgerlijken stand op f 1200, terwijl hij als secretarie-ambtenaar f 400 hield. Het gevolg is nu, dat hij als secretarie-ambtenaar wel eeu groot aantal jaren heeft doch een kleine grondslag, en als ambtenaar van den burgerlijken stand een grootere grondslag, maar slechts weinig dienstjaren, dat is niét billijk.

2°. Recht op vol pensioen op 55 jaar. De Bond acht dit zeer wenschelijk. Het zou b.v. kunnen op de wijze als voor de consulaire ambtenaren is geregeld.

3°. Het invaliditeitspensioen zou een bepaald minimum moeten hebben. In 1913 heeft Mr. Treub als Kamerlid het al voorgesteld. De Bond zou het liefst zien, dat het werd gesteld als minimum op b.v. l/2 grondslag. En voorts zou het in ieder geval niet lager moeten zijn dan hetgeen als ongevallenrente zou worden genoten.

4°. Het is verkeerd dat tijdelijke diensten, vóór 1 October 1913 bewezen niet kunnen worden ingekocht. Op zich zelf is er geen reden om ze niet even goed te kunnen mederekenen als de jaren na 1 October 1913. Maar daarbij komt nog, dat de aanstellingen uit dien vioegeren tijd dikwijls ontbreken of weinig precies zijn. In geval va ntwijfel heeft de gemeente er nu een geldelijk belang bij, bepaalde jaren als tijdelijk voor te stellen. Er zal allicht misbruik van de thans geldende regeling worden of zijn gemaakt.

Sluiten