Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5°. Het pensioen zou moeten worden berekend naar den grondslag1 van het laatste jaar, evenals bij de openbare onderwijzers het geval is. De Voobzitteb, vraagt of de heer Pels, als man van de praktijk, niet bang zou zijn, dat verschillende gemeenten daarvan misbruik zouden maken, door op het laatst nog eens een groote weddeverhooging te geven, alleen met het oog op het pensioen. Voor de onderwijzers is dit niet te vreezen, daar hun wedden door hooger gezag moeten worden goedgekeurd en niet voor ieder individueel worden geregeld. De heer Pels zegt, dat b.v. de wedden van burgemeester en secretaris ook worden goedgekeurd. Voor hen is de. tegenwoordige regeling dus althans niet gemotiveerd. Overigens erkent hij de mogelijkheid, dat men misbruik maakt. Nog dezer dagen werd in sprekers gemeente door een agent van politie, die weldra uit den dienst zou gaan, gevraagd den duurtetoeslag te vervangen door een weddeverhooging, opdat die voor het pensioen zou meetellen. Spreker heeft zich daartegen verzet en het is ook niet gebeurd. Maar dergelijke dingen blijven mogelijk. Men zou er iets op moeten vinden, door b.v. pensioenverhoogingen, die het gevolg zijn van zeer recente verhoogingen van wedden, ten laste van de gemeente te laten.

6°. Er is een tegenstrijdigheid in, dat de jaren beneden het 18de jaar wèl medetellen voor de bijdrage, maar niet voor het pensioen. Die verschillende behandeling behoort te worden weggenomen.

7°. Het stelsel van bevestiging van grofidslag, dat voor den tijd na 1 October 1913 ligt in art. 20 sub 1 der wet, behoorde ook toepassing te vinden voor den tijd vóór dien datum. B.v. iemand was burgemeester en secretaris van gemeente A, tot 1910, resp. op f 1000 en f 800. In 1910 wordt hij burgemeester van B op f 1200. Krachtens de Pensioenwet geldt als zijn grondslag f 1200. Had echter het principe van art. 20 en 21 gegolden, dan was f 1800 aangenomen geweest. De vraag is bovendien nog, of hij niet moet inkoopen voor een bedrag van f 1800. De heer Tba Kbanen zegt op dit laatste, dat de wet op dit punt niet geheel duidelijk is. Practijk is echter dat, als men twee betrekkingen gelijktijdig vervuld heeft, en men kan die jaren slechts éénmaal in aanmerking brengen, slechts wegens één van beide wordt ingekocht, terwijl de keuze daarvan aan den betrokkene wordt overgelaten, die dus wel de voor de gemeente voordeeligste zal kiezen.

8°. Volgens de wet kan 3 pet. der wedde worden verhaald. Beter ware 2 pet. Dat is ook voor- de openbare onderwijzers zoo bepaald. En voorts is het een bezwaar dat bij overgang naar een Rijks (gemeente) betrekking, geen rekening wordt gehouden met hetgeen reeds is betaald in een gemeente (Rijks) betrekking. Men betaalt dan in de nieuwe betrekking, alsof men in de oude niets had betaald. Dat is onjuist,

9°. Het vierde lid van art, 68 behoort te worden ingetrokken. En in elk geval is het onbillijk, dat op grond van dat lid bij overgang naar een andere gemeente kan worden verhaald 4 pet. wegens den tijd na 1 October 1913 terwijl het verbaal volgens art. 65 slechts 3 pet. bedraagt.'

10°. Bij overlijden van. een ambtenaar door een ongeval zij het pensioen van zijn weduwe en weezen in geen geval lager dan de rente volgens de Ongevallenwet 1905 zou zijn. Verschillende ambtenaren vallen onder die wet, anderen echter met. Het verschil is onbillijk. In 1903 is een regeling op dit punt in uitzicht gesteld, maar er is niets van gekomen.

11°. Artikel 17, alinea 5 van de Burgerlijke Weduwenwet zou ook van toepassing moeten worden verklaard, als de vrouw trouwde met een gemeenteambtenaar.

12°. Wedden beneden f 400 moesten geheel vrij zijn van premiebetaling.

13°. Volgens artikel 4 der Burgerlijke Weduwenwet hebben geen recht op pensioen de weduwen en weezen van

Sluiten