Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een burgerlijke ambtenaar, die in bet buwelijk treedt na zijn 60ste jaar. Reeds bij de totstandkoming van de wet is gevraagd of dat alleen zag op gevallen van personen, die na bet in werking treden van de wet huwden. De practijk (zie K. B. 24 Juni 1903 Stbl. 245) heeft bevestigend geantwoord. Maar nu heeft men in 1913 voor de gemeenteambtenaren een andere redactie gekozen, waardoor ook worden uitgesloten vrouw en kinderen van ambtenaren, die b.v. in 1910 reeds 60 jaar waren en toen zijn gehuwd. Er is dus thans eeu ongelijkheid, wat niet billijk is.

TJit de Commissie wordt nog de vraag gesteld of het onder 1°. vervatte desideratum: medetellen van zijdelingsche gemeentelijke diensten, naar het oordeel van den heer Pels algemeen zou kunnen worden voorgeschreven, of alleen voor bepaalde, op een lijst te brengen, betrekkingen. Zal het niet moeilijk zijn, hier de greins te trekken tusschen perso-aon die feitelijk gemeenteambtenaar zijn geweest, zij het dan óm eenigerlei practische overweging benoemd, b.v. door den ontvanger en personen, die bijv. door den secretaris worden aangesteld om hem op zijn kosten wat met gemeentezaken te helpen, wijl de- secretaris het liever wat minder druk heeft. De heer Pels geeft toe, dat men theoretisch inderdaad die gevallen moet onderscheiden, maar in de practijk is het misschien maar het best, ook de laatstbedoelde groep als ,,zij delingschen" te beschouwen. Zij hebben dan toch ook gemeentelijken arbeid verricht.

Aldus goedgekeurd door den gehoorde.

De Voorzitter,

Sluiten