Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

^VERGADERING

van de Subcommissie, gevormd uit de Staatscommissie, inzake het burgerlijke pensioenwezen, op Donderdag 14 Februari 1918, 's middags om 2 uur, in het gebouw der Pensioenraden.

Afwezig- met kennisgeving de Voorzitter en Mr. Trip, Het presidium wordt waargenomen door den heer Mulder.

Tot het mondeling toelichten van schriftelijke wenschen inzake het pensioenwezen is uitgenoodigd het Salariscomité^) uit de Bonden van Overheidspersoneel, aangesloten bij het Ned. V erbond van V'akvereenigingen, welk Comité vertegenwoordigd wordt door de heeren vak Hinte, Noordhoff en

TlEPEN.

De heer van Hinte deelt mede, dat het Comité gaarne bij de wenschen der pensioenvereeniging de zijne wil voegen, omdat hierdoor de verlangens van een 20 000 ambtenaren alsnog worden kenbaar gemaakt en omdat enkele zaken door de pensioenvereeniging niet naar voren zijn gebracht.

Spreker bepleit in de eerste plaats eene algemeene eenheid, d. w. z. één pensioenwet voor alle ambtenaren, waaronder dan te gelijker tijd de provinciale ambtenaren, en die der waterschappen behooren te vallen, alsmede diegenen welke in zijdelingsch dienstvérband staan, zooals de ambtenaren, werkzaam bij gestichten en dgl.

Voorts wijst spreker er op, dat de Pensioenwet G. A. 1913 met het oog op de verkiezingen al te spoedig werd gereed gemaakt en behandeld; zoo werden b.v. de organisaties niet gehoord en werden de meeste amendementen in de Kamer dadelijk onaannemelijk verklaard. Zoodoende zijn in die wet talrijke leemteü en verkeerdheden. In dit verband wijst spreker op artikel 15 c dier wet, waarin tijdelijke diensten tot voor pensioen geldige dienst worden verklaard, voor zoover ze na de in werkingtreding dier wet in werkelij ken dienst werden bewezen.

Van dit woordje „na" worden talrijke ambtenaren de dnpe, omdat de vóór 1 October 1913 bewezen tijdelijke gemeentelijke diensten niet voor vergelding met pensioen in aanmerking komen; bovendien hangt het karakter van dergelijke diensten vaak samen met eene min of meer goede administratie der gemeentebesturen.

Spreker bespreekt in de derde plaats de bijdragen, die onder de bestaande wetgeving moeten worden gestort. Hij zal hierover niet breedvoerig zijn, omdat dit punt ongetwijfeld reeds door anderen bij de commissie ter sprake gebracht is, doch spreker wil er toch op wijzen, dat onder de ambtenaren meer en meer het beginsel van een pensioen zonder betaling van bijdragen doordringt; ook door de officieren worden geene bijdragen voor hun pensioen gestort, terwijl zij ook in andere opzichten bevoorrecht zijn.

(1) thans genaamd : Comité ter behartiging van de algemeene belangen van Oeerheidspmoneel (A. C. O. P.)

Sluiten