Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Voobzitteb, de heer Mtjxdeb, doet opmerken, dat door de ambtenaren feitelijk veel te weinig wordt betaald; de Staat. betaalt bet grootste gedeelte.

De beer van Hinte meent, dat, indien men zich op het standpunt van het Comité stelt, m. a, w. dat het pensioen geene andere beteekenis heeft dan uitgesteld loon, de ambtenaren niet te weinig doch te veel betalen. Op sprekers standpunt hebben zich trouwens vóór de totstandkoming der wet van 1913 reeds verschillende grootere gemeenten gesteld. Spreker komt er min of meer tegen op, dat de pensioenvereeniging wel principieel dezelfde redeneering volgde als het Comité, doch een reservevoorstel deed, voor het geval het beginsel niet door de Staatscommissie kon worden aanvaard.

De heer Noobdhoff wil er op wijzen, dat ook door de Ministers een premievrij pensioen wordt genoten.

De heer van Hinte bespreekt vervolgens het invaliditeitspensioen; dit wordt thans tot het volle bedrag genoten, indien door den betrokkene kan worden aangetoond, dat hij in en door den dienst invalide is geworden. Spreker zag den bewijslast liever omgekeerd: laat de Staat liever het tegendeel bewijzen! Het is voor den belanghebbende meestal niet zoo gemakkelijk, om geneeskundigen te bewegen om te verklaren, dat de ziekte in en door den dienst is ontstaan, dat een oorzakelijk verband aanwezig is. Voorts acht spreker het bedrag van dit pensioen te laag; dit zou minstens 80 pet. moeten bedragen van den pensioensgrondslag, terwijl deze pensioensgrondslag dan, naar spreker's meening, behoort te worden vastgesteld op het hoogste, door den belanghebbende, verdiende loon. In dit verband wijst spreker er op, dat de salarisregeling voor ambtenaren in ruimen zin en voor werklieden niet dezelfde is. Tal van categorieën van werklieden gaan na het 50ste levensjaar in loon achteruit, zoodat, volgens de bestaande wetgeving, hun pensioen ook veel geringer wordt, Wel is waar opent de wet de mogelijkheid, om den verworven pensioensgrondslag te behouden, maar men moet dan ook zooveel meer aan bijdragen betalen, hetgeen dikwijls practisch door het lagere salaris onmogelijk is.

In de 5de plaats zegt spreker, dat nog vele categorieën van ambtenaren in aanmerking komen, om opgenomen te worden onder hen, aan wie op 55-jarigen leeftijd recht op pensioen is toegekend, waarmede echter samen behoort te gaan het verwerven van een hooger pensioen,op dien leeftijd. De gelegenheid om op 55-jarigen leeftijd vol pensioen te verkrijgen, wordt thans gemist. Hieraan zou reeds eenigszins tegemoet gekomen worden, indien de jaren vóór het 18de levensjaar in dienst doorgebracht, bij de berekening der pensioenen in aanmerking kwamen."

Thans is de toestand zóó, dat de Pensioenwet aan verschillende gewezen ambtenaren de noodzakelijkheid oplegt, om na hun 55ste jaar, op de arbeidsmarkt mede te dingen; zelfs komt het meermalen voor, dat de overheid gepensionneerden voor rijksbetrekkingen oproept! Spreker dringt er voorts op aan om den 10 jarigen wachttijd te doen vervallen en een minimumpensioen vast te stellen van f 300, afgescheiden van diensttijd en bezoldiging, met uitzonderingsbepalingen voor die ambtenaren, die een uiterst gering salaris ontvangen.

Spreker doet daarna opmerken, dat, ofschoon hij begrijpt, dat deze Commissie geene toezeggingen kan doen, hij toch eenige gedachtenwisseling over de door hem geuite wenschen had verwacht en zulks aangenaam zou hebben gevonden, immers ook over de arbeidsvoorwaarden bij particulieren wordt tevoren overleg gepleegd !

Vervolgens bepleit spreker ook voor de weduwen- en weezenpensioenen vrijstelling van premiebetaling; evenals voor de eigen pensioenen der ambtenaren geschiedde dit ook vroeger in vele gemeenten. Spreker begrijpt, dat het financiëele bezwaar hiertegen zal worden aangevoerd, doch hij kan dat bezwaar niet deelen, omdat de ambtenaren steeds zóó stiefmoederlijk door den Staat zijn bedeeld, dat deze zeker iets goed te maken heeft. De ambtenaren hebben een recht op

Sluiten