Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der groote organisaties van ambtenaren. Spreker acht dit bijzonder gewenscht, omdat de thans gehouden besprekingen vrijwel geheel eenzijdig zijn en omdat, door van te voren gepleegd overleg, veel critiek zal kunnen worden voorkomen.

De Voobzitteb. gelooft niet, dat eene zoodanige hernieuwde bespreking in de bedoeling der Staatscommissie ligt. Spreker kan hieromtrent echter niets positiefs mededeelen, omdat hij slechts de Subcommissie vertegenwoordigt en zich derhalve niet kan uitlaten over opinie der volledige commissie.

De heer van Hinte betreurt, dat het Comité slechts door eene kleine Subcommissie wordt gehoord. Tot zijn leedwezen is niet de geheele Staatscommissie aanwezig. Spreker meent, dat eene zóó belangrijke organisatie als het Comité daarop recht heeft.

Spreker wil voorts bij de Commissie er op aandringen, dat de duurtetoeslagen in aanmerking zullen komen bij de vaststelling der pensioengrondslagen. "Wanneer die toeslagen gedurende 5 jaren zullen zijn verleend, wordt het van veel belang, of de pensioenen naar zoodanige hoogere grondslagen zullen worden berekend. ^'dsJlf*

De Voobzitteb wijst er op, dat deze duurtetoeslagen geen vast karakter dragen en dat er bovendien geene bijdragén over gestort worden.

De heer van Hinte acht} dit laatste bezwaar door eene bepaling omtrent een inkoop te ondervangen. Voorts meent spreker het gewenscht, dat indien een ambtenaar gedurende zekeren tijd met eene vrouw, hoewel niet wettelijk gehuwd, heeft samengeleefd, dat ook aan die niet wettige eventueel© weduwe en eventueele weezen een recht op pensioen wordt toegekend. De z.g. wet op het vaderschap kan hier desgewenscht bare diensten bewijzen, om knoeierij te voorkomen. Met de bepalingen der duurtetoeslagen is sprekers standpunt door de Regeering reeds min of meer als juist erkend.

Nadat dé heer Tba Kbanen er op heeft gewezen, dat eene zoodanige bepaling waarschijnlijk het concubinaat in de hand zou werken en de heer Mtjldeb op gevaar van misbruik heeft gewezen, verkrijgt de derde afgevaardigde, de heer Tiepew het woord. Deze sluit zich aan bij de wenschen, door de vorige sprekers te berde gebracht en bepleit voorts nog eens eene algemeene eenheid van pensioenswetgeving, bijzonder ook voor die arbeiders in Staatsdienst, die onder de bepalingen van twee wetten vallen. Spreker heeft het oog op de Rijkswerklieden bij Koloniën, Marine en Oorlog; door sommigen worden bij dragen betaald, door anderen niet. Eenheid in deze materie zal moeten worden gezocht, natuurlijk niet zóódanig, dat bepaald wordt, dat allen moeten betalen, doch omgekeerd, dat allen van pensioenstorting worden vrijgesteld.

De heer Tba Kbanen doet opmerken, dat de militaire pensioenwetgeving buiten het terrein dezer Staatscommissie ligt; de Rijkswerklieden vallen ook onder de bepalingen der militaire wetgeving. Een aantal dezer werklieden zijn Burgerlijke ambtenaren, afhangende van het verband, waarin zij geplaatst zijn, vandaar de verschillende bepalingen.

De heer Tiepen meent, dat de militaire pensioenwetgeving ten spoedigste moet verdwijnen ; bepalingen, waarvan de uitvoering in de hand van militairen ligt,^worden nimmer goed behartigd; veel beter is, dat er eenheid voor de arbeiders bestaan zal. Spreker wil voorts vooral wijzen op de moeilijkheid om te bewijzen, dat een ongeval in en door den dienst is ontstaan. Beter ware het, dat hetzelfde resultaat werd verworven, indien het ongeval uitsluitend in den dienst was ontstaan.

In de derde plaats dringt spreker er op aan, dat als pensioensgrondslag welke in aanmerking komt bij de berekening van het pensioen, wordt genomen het salaris, dat verdiend is in het gunstigste jaar van' het geheele dienstverband. Voorts wijst spreker er op, dat de z.g. werklieden-kleermakers of buitenkleermakers, na hun geheele leven in dienst van het Rijk te hebben doorgebracht, daarna aan den dijk worden gezet, omdat de Regeering hen niet als in haar dienst be-

Sluiten