Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lasten droegen als andere onderwijzers. Het verzoek betreft alleen de eigen pensioenen, niet die der weduwen en weezen.

De Voobzitteb. wijst er op, dat bet voor de Staatscommissie moeilijk zal zijn, om voor deze kwestie een regeling te treffen, omdat in de overgangsbepalingen vastgehouden zal moeten worden aan den bestaanden toestand.

De afgevaardigden meenen, dat als de Staatscommissie het billijke van het verzoek inziet, zij daaromtrent een voorstel zou kunnen doen bij de Regeering. Gaarne zal men zelfs ook nog eens bij den Minister aandringen. Er wordt voorts op gewezen, dat bij de wet van 23 Mei 1917, Staatsblad 426, zij werden geholpen, dit min of meer de slachtoffers waren van eene verschuiving van datum, ook sprekers verkeeren in zoo'n geval, omdat vóór hunne absolute uitsluiting bekend was, zij ook voortdurend in de hoop geleefd hadden in de pensioenwetgeving te worden opgenomen.

De Voobzitteb' wijst er op, dat aan de weduwen, aan wie bij genoemde wet pensioenrecht werd toegekend, hiervoor reeds min of meer toezegging was gedaan. Voorts is die toestand niet dezelfde. Spreker zal deze kwestie echter in de volledige Staatscommissie ter sprake brengen.

Alsnog wordt opgemerkt, dat de instituteurs aan den Staat gewichtige diensten hebben bewezen, als leveranciers voor de vervulling van Staatsbetrekkingen. Door het stop zetten dezer inrichtingen van onderwijs is de toeloop van jongelui voor cadet, adelborst enz. belangrijk afgenomen. De instititeurs hebben bovendien zwaren arbeid moeten verrichten, omdat aan hunne inrichtingen ook gewoonlijk een internaat was verbonden. De billijkheid eischt, dat aan hen pensioenrecht over die jaren wordt toegekend, zij 't dan tegen inkoop.

De gehoorde personen hebben nader verklaard, met deze notulen accoord te gaan.

De Voorzitter,

25

Sluiten